ECLI:NL:CRVB:2007:AZ7038

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
19 januari 2007
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
04-5539 WAO
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:72 AwbWet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging vernietiging besluit arbeidsongeschiktheid met instandhouding rechtsgevolgen

Appellant, het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, had een besluit genomen om de arbeidsongeschiktheid van betrokkene te herzien naar 35 tot 45%. De rechtbank had dit besluit vernietigd vanwege onvoldoende motivering van de geschiktheid van ten minste drie functies voor betrokkene, zoals vereist in het Schattingsbesluit.

In hoger beroep heeft appellant een aanvullende rapportage overgelegd met een toelichting op de geschiktheid van de functies, waarbij twee functies zijn vervallen wegens onzekerheid over de geschiktheid. De bezwaararbeidsdeskundige heeft overleg gehad met andere deskundigen en concludeerde dat de resterende functies passend zijn.

De Raad oordeelt dat de motivering in hoger beroep voldoende is en bevestigt de vernietiging van het bestreden besluit, maar bepaalt dat de rechtsgevolgen van dat besluit volledig in stand kunnen blijven conform artikel 8:72, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht.

Er wordt geen proceskostenveroordeling opgelegd, maar appellant moet wel een griffierecht van € 422,- betalen. Betrokkene is niet verschenen tijdens de zitting.

Uitkomst: De vernietiging van het besluit wordt bevestigd, maar de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit blijven volledig in stand.

Uitspraak

04/5539 WAO
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen
(hierna: appellant),
tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 16 september 2004, 02/3513
(hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
[betrokkene] (hierna: betrokkene)
en
appellant.
Datum uitspraak: 19 januari 2007
I. PROCESVERLOOP
Appellant heeft hoger beroep ingesteld en een vraag van de Raad beantwoord.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 8 december 2006, waar appellant zich heeft laten vertegenwoordigen door mr. M.H.A.H. Smithuysen. Betrokkene is niet verschenen.
II. OVERWEGINGEN
De Raad gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.
Bij besluit van 24 juni 2002 (het bestreden besluit) heeft appellant in bezwaar gehandhaafd zijn besluit van 30 januari 2002, waarbij de uitkering van betrokkene ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering met ingang van
17 maart 2002 is herzien naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 35 tot 45%.
De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak overwogen dat er geen aanleiding is voor het oordeel dat de medische grondslag van het bestreden besluit voor onjuist moet worden gehouden.
De arbeidskundige grondslag heeft de rechtbank wel onjuist geacht, omdat de arbeidsdeskundige J. Veugelaers in zijn rapport van 14 januari 2002 een ontoereikende motivering heeft gegeven op het aspect ‘reiken’ bij de functies: stikster (Fb-code 7964), medewerker facilitaire zaken (Fb-code 3953), operator A (Fb-code 8364) en sorteerder aardappelen (Fb-code 7791). De rechtbank heeft deze functies vanwege dit motiveringsgebrek ongeschikt geacht. Voorts was de rechtbank van oordeel dat gelet op de toelichting op het aspect ‘aanmerkelijke tijdsdruk’ bij de functie medewerker handmontage (Fb-code 8539) evenmin in voldoende mate is vast komen te staan of deze functie geschikt is voor betrokkene. Het voorgaande heeft ertoe geleid dat slechts twee functies resteerden waarvoor betrokkene in medisch opzicht geschikt moet worden geacht. De rechtbank heeft, nu niet is voldaan aan het in het Schattingsbesluit neergelegde vereiste dat de schatting op ten minste drie functies moet berusten, het bestreden besluit vernietigd en bepaald dat appellant een nieuw besluit op het bezwaar van betrokkene zal nemen.
In hoger beroep heeft appellant middels een rapportage van de bezwaararbeidsdeskundige C.J.T. Neefjes een toelichting gegeven op de aspecten ‘reiken’ en ‘aanmerkelijke tijdsdruk’ bij voormelde functies. Voorts heeft de bezwaararbeidsdeskundige Neefjes desgevraagd de functies operator A en sorteerder aardappelen laten vervallen omdat niet met voldoende zekerheid vast te stellen is of deze functies op het aspect ‘werken met machines’ geschikt zijn voor betrokkene. Ter zitting heeft appellant haar standpunt herhaald dat gelet op de in hoger beroep gegeven toelichting nu voldoende is gemotiveerd waarom de voormelde functies binnen de voor betrokkene vastgestelde belastbaarheid vallen.
De Raad overweegt als volgt.
Naar het oordeel van de Raad zijn, met de in hoger beroep gegeven toelichting door de bezwaararbeidsdeskundige Neefjes, de mogelijke overschrijdingen van de belastbaarheid in voormelde functies uiteindelijk voldoende en adequaat gemotiveerd. De Raad neemt hierbij in aanmerking dat de bezwaararbeidsdeskundige hiervoor overleg heeft gehad met de bezwaarverzekeringsarts en arbeidsdeskundige analist en tot de conclusie is gekomen dat de geduide functies passend zijn voor betrokkene. Het laten vervallen van de functies operator A en sorteerder aardappelen door de bezwaararbeidsdeskundige heeft niet geleid tot een andere arbeidsongeschiktheidsklasse, want die is onveranderd 35 tot 45% gebleven.
Nu eerst in hoger beroep naar het oordeel van de Raad voor de geschiktheid van een voldoende aantal functies een toereikende motivering is gegeven, ziet de Raad aanleiding de aangevallen uitspraak, waarbij het bestreden besluit is vernietigd en aan appellant opdracht is gegeven een nieuw besluit op bezwaar te nemen, te bevestigen met dien verstande dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit, met toepassing van artikel 8:72, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht geheel in stand kunnen worden gelaten.
De Raad acht geen termen aanwezig voor een proceskostenveroordeling.
Van appellant zal een griffierecht worden geheven van € 422,--.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak, met dien verstande dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit geheel in stand blijven;
Bepaalt dat van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen een griffierecht wordt geheven van € 422,--.
Deze uitspraak is gedaan door D.J. van de Vos als voorzitter en J.W. Schuttel en A.T. de Kwaasteniet als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van W.R. de Vries als griffier, uitgesproken in het openbaar op 19 januari 2007.
(get.) D.J. van der Vos.
(get.) W.R. de Vries.
BKH 150107