ECLI:NL:CRVB:2007:AZ7041

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
24 januari 2007
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
05-1896 ZW
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • Ch. van Voorst
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging beëindiging recht op ziekengeld wegens ontbreken van functiebeperkingen

Appellante, werkzaam als assistente-bibliothecaresse bij de Hogeschool Leiden, meldde zich ziek op grond van de ziekte van Ménière en fibromyalgie. Na medisch onderzoek door een verzekeringsarts werd vastgesteld dat zij geen belangrijke functiebeperkingen had en in staat was haar lichte, afwisselende werk vier dagen per week te verrichten.

Op 9 maart 2004 werd het recht op ziekengeld beëindigd met ingang van 10 maart 2004. Het bezwaar hiertegen werd ongegrond verklaard, waarbij een bezwaarverzekeringsarts oordeelde dat de beperkingen van appellante haar werk niet onmogelijk maakten. De rechtbank onderschreef dit oordeel en verwierp het medisch rapport van de zenuwarts omdat het onvoldoende concreet was.

De Centrale Raad van Beroep sluit zich aan bij de eerdere oordelen en bevestigt dat appellante geen ernstige psychische beperkingen heeft die haar verhinderen haar werk te verrichten. Gezien de aard van het werk, met weinig tijdsdruk en emotionele belasting, acht de Raad het terecht dat het recht op ziekengeld is beëindigd. Er worden geen proceskosten opgelegd.

Uitkomst: Het recht op ziekengeld van appellante is met ingang van 10 maart 2004 terecht beëindigd.

Uitspraak

05/1896 ZW
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[appellante] (hierna: appellante),
tegen de uitspraak van de rechtbank ‘s-Gravenhage van 18 februari 2005, 04/2471 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellante
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).
Datum uitspraak: 24 januari 2007
I. PROCESVERLOOP
Namens appellante heeft mr. R.A.J. Delescen, advocaat te Roermond, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 13 december 2006.
Partijen zijn niet verschenen.
II. OVERWEGINGEN
Appellante, voorheen 26 uur per week werkzaam als assisente-bibliothecaresse bij de Hogeschool Leiden, heeft zich op
23 februari 2004 vanuit een uitkeringssituatie ingevolge de Werkloosheidswet ziek gemeld wegens aanvallen van de ziekte van Ménière en klachten van fibromyalgie. Na bezoek aan het spreekuur van de verzekeringsarts van 9 maart 2004 werd zij met ingang van 10 maart 2004 hersteld verklaard.
Bij besluit van 9 maart 2004 is dienovereenkomstig vastgesteld dat appellante met ingang van 10 maart 2004 geen recht meer had op ziekengeld.
In de bezwaarfase is appellante gezien door een bezwaarverzekeringsarts, die op grond van de onderzoeksbevindingen vaststelde dat appellante geen belangrijke functiebeperkingen had en in staat moest worden geacht 4 dagen per week 6,5 uur per dag haar lichte afwisselende werk in de bibliotheek bij voormelde hogeschool te verrichten.
Bij besluit van 29 april 2004 (het bestreden besluit) is het bezwaar tegen het primaire besluit van 9 maart 2004 ongegrond verklaard.
De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard, daarbij overwegende dat de bezwaarverzekeringsarts tot een afgewogen oordeel omtrent de voor appellante geldende beperkingen was gekomen. Met betrekking tot het in eerste aanleg overgelegde rapport van zenuwarts dr. H.L.S.M. Busard heeft de rechtbank overwogen dat daarin niet concreet is aangegeven op welke wijze de geconstateerde beperkingen het werk van assistente-bibliothecaresse op parttimebasis onmogelijk maakten. De door een bezwaarverzekeringsarts in een rapport van 1 november 2004 geuite reactie trof naar het oordeel van de rechtbank doel.
De Raad verenigt zich met het oordeel van de rechtbank en onderschrijft de daaraan ten grondslag gelegde overwegingen. In aanmerking genomen dat de somatoforme stoornis volgens de bezwaarverzekeringsarts geen ernstige psychische beperkingen meebrengt is de Raad er niet van overtuigd dat appellante buiten staat was haar werk in de bibliotheek van de Hogeschool Leiden te verrichten. Blijkens een door appellante ingevulde praktische werkbeschrijving ging het hier om werk met weinig tijdsdruk, dat weinig emotioneel belastend was, met weinig tempodwang en met een prettige werksfeer.
Uit het vorenstaande volgt dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.
De Raad acht geen termen aanwezig voor een proceskostenveroordeling.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door Ch. van Voorst . De beslissing is, in tegenwoordigheid van J. Verrips als griffier, uitgesproken in het openbaar op 24 januari 2007.
(get.) Ch. van Voorst.
(get.) J. Verrips.