ECLI:NL:CRVB:2007:AZ7174

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
11 januari 2007
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
06-3322 ALGEM
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:55 lid 5 AwbArt. 8:54 AwbArt. 21 Beroepswet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verzet tegen niet-ontvankelijkverklaring hoger beroep wegens termijnoverschrijding ongegrond verklaard

Appellante had hoger beroep ingesteld tegen een uitspraak van de rechtbank Amsterdam, maar dit hoger beroep werd niet-ontvankelijk verklaard omdat het niet binnen de wettelijke termijn van zes weken na bekendmaking van de uitspraak was ingediend.

Appellante deed vervolgens verzet tegen deze beslissing. Tijdens de zitting verscheen appellante bij gemachtigde, terwijl het UWV zich niet liet vertegenwoordigen. De Raad heeft het verzet inhoudelijk beoordeeld en geen aanleiding gevonden om het eerdere oordeel te wijzigen.

De Raad overwoog dat de wettelijke termijn van zes weken strikt is en dat de stempels op de enveloppen van het beroepschrift niet overeenkomen met de door de gemachtigde gestelde verzenddata. Er is geen reden om het verzuim van appellante niet tegen haar te mogen aanvoeren.

Daarom werd het verzet ongegrond verklaard en zijn er geen proceskosten opgelegd. De uitspraak werd gedaan door G. van der Wiel, in aanwezigheid van griffier D. Olthof.

Uitkomst: Het verzet tegen de niet-ontvankelijkverklaring van het hoger beroep wegens termijnoverschrijding is ongegrond verklaard.

Uitspraak

06/3322 ALGEM
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
U I T S P R A A K
als bedoeld in artikel 8:55, vijfde lid, van de Algemene wet bestuursrecht en artikel 21 van Pro de Beroepswet in verband met het hoger beroep van:
[appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),
tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 25 april 2006, 04/722 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellante
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).
Datum uitspraak: 11 januari 2007.
I. PROCESVERLOOP
Bij uitspraak als bedoeld in artikel 8:54 van Pro de Algemene wet bestuursrecht en artikel 21 van Pro de Beroepswet van 13 juli 2006 heeft de Raad het door appellante ingestelde hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak niet-ontvankelijk verklaard.
Tegen de uitspraak van de Raad van 13 juli 2006 heeft appellante verzet gedaan.
Het verzet is behandeld ter zitting van 14 november 2006, waar appellante bij gemachtigde is verschenen en waar het Uwv, zoals tevoren bericht, zich niet heeft laten vertegenwoordigen.
II. OVERWEGINGEN
De uitspraak van de Raad van 13 juli 2006 berust hierop, dat het hoger beroepschrift niet binnen de termijn van zes weken na bekendmaking van de uitspraak van de rechtbank is ingediend.
In dit geding is de vraag of het hoger beroep van appellante terecht niet-ontvankelijk is verklaard.
De Raad ziet geen aanleiding om tot een ander oordeel te komen dan in zijn genoemde uitspraak gegeven.
In aansluiting op hetgeen in die uitspraak is overwogen, merkt de Raad op dat hij ook in hetgeen in het verzetschrift en ter terechtzitting is aangevoerd geen aanknopingspunten heeft gevonden, die kunnen leiden tot de conclusie dat appellante het verzuim niet kan worden tegengeworpen. Ter terechtzitting heeft de gemachtigde van appellante aangegeven dat hem is verzekerd dat het niet-aangetekende beroepschrift op 6 juni 2006 zou worden verzonden, en de aangetekende post op 7 juni 2006. Op beide enveloppen staat echter een stempel van 7 juni 2006 van zijn eigen kantoor.
Naar aanleiding van de gestelde onjuiste voorlichting met betrekking tot het einde van de beroepstermijn geeft de Raad aan dat zes weken na de bekendmaking een wettelijk termijn is.
Gelet op het voorgaande dient het verzet ongegrond te worden verklaard.
Voor een veroordeling in de proceskosten ziet de Raad geen aanleiding.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Verklaart het verzet ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door G. van der Wiel. De beslissing is, in tegenwoordigheid van D. Olthof als griffier, uitgesproken in het openbaar op 11 januari 2007.
(get.) G. van der Wiel.
(get.) D. Olthof.
RB1201