ECLI:NL:CRVB:2007:AZ7178

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
12 januari 2007
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
04-6939 WAO
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • J.W. Schuttel
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:75 AwbWet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging van WAO-uitkering met arbeidsongeschiktheidspercentage 25-35%

Appellant, werkzaam in de tuinbouw, viel op 15 maart 2002 uit wegens rug-, linkerbeen- en maagklachten. Het UWV kende hem op 14 maart 2003 een WAO-uitkering toe, berekend op een arbeidsongeschiktheidspercentage van 25 tot 35%. Appellant maakte bezwaar tegen deze beoordeling, maar het bezwaar werd afgewezen.

In hoger beroep bij de Centrale Raad van Beroep werd het besluit van het UWV getoetst. De Raad oordeelde dat de medische beoordeling door verzekeringsarts Janssen, ondersteund door informatie van behandelend specialisten, niet was overschat. Ook de bezwaarverzekeringsarts Jeensma vond geen aanleiding om de beperkingen te vergroten. De grief van appellant over onvoldoende onderzoek naar zijn klachten faalde wegens gebrek aan objectieve medische onderbouwing.

De Raad stelde vast dat de functies die het UWV als passend had aangemerkt terecht waren en dat de indeling in de arbeidsongeschiktheidsklasse 25 tot 35% correct was. De aangevallen uitspraak van de rechtbank Rotterdam werd bevestigd en er was geen grond voor toepassing van artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt het besluit van het UWV tot toekenning van een WAO-uitkering met een arbeidsongeschiktheidspercentage van 25 tot 35%.

Uitspraak

04/6939 WAO
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[appellant] (hierna: appellant),
tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 3 november 2004, 04/276 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellant
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).
Datum uitspraak: 12 januari 2007
I. PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft mr. A.L. Kuit, advocaat te Rotterdam, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 1 december 2006, waar partijen met bericht van verhindering niet zijn verschenen.
II. OVERWEGINGEN
Appellant was laatstelijk werkzaam als medewerker in de tuinbouw en is op 15 maart 2002 uitgevallen wegen rug-, linkerbeen- en maagklachten.
Bij besluit van 17 december 2003 (het bestreden besluit) heeft het Uwv in bezwaar gehandhaafd zijn besluit van 27 februari 2003, waarbij aan appellant in aansluiting op de wettelijke wachttijd van 52 weken, met ingang van 14 maart 2003 een uitkering is toegekend ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 25 tot 35%.
De Raad is met de rechtbank van oordeel dat het bestreden besluit in rechte stand kan houden.
Voor wat betreft de medische component overweegt de Raad dat de functionele mogelijkheden van appellant, zoals die bij de primaire beoordeling door de verzekeringsarts J.P. Janssen in zijn rapportages van 12 december 2002 en 29 januari 2003 zijn beschreven, niet zijn overschat. De Raad neemt hierbij in aanmerking dat appellant door de verzekeringsarts is onderzocht en dat daarnaast door die arts informatie van de behandelende neurochirurg R.F. van Rolde, de anesthesioloog A.J. Mulder en de huisarts is meegewogen. In de bezwaarfase is appellant weer onderzocht en is door de bezwaarverzekeringsarts J.W. Jeensma onder meer op basis van informatie uit de behandelende sector afdoende gemotiveerd waarom hij geen aanleiding heeft gevonden om meer beperkingen in de Functionele Mogelijkheden Lijst aan te geven dan reeds door de verzekeringsarts Janssen is gedaan. De in hoger beroep geformuleerde grief van appellant, dat de medische onderzoeken onvoldoende waren gericht op zijn hart- en rugklachten, pijn aan de linkerkant van het lichaam en linkerbeen en de klachten met betrekking tot zijn twaalfvingerige darm, faalt bij gebreke aan een objectief-medische onderbouwing. In dit verband merkt de Raad nog op dat appellant de door hem in het vooruitzicht gestelde rapportage van een onafhankelijk arts niet heeft geproduceerd.
Aldus ervan uitgaande dat de belastbaarheid van appellant juist is gewaardeerd, is de Raad voorts van oordeel dat de functies zoals door het Uwv ten grondslag gelegd aan de schatting terecht als voor appellant passend zijn aangemerkt. Voor zover sprake is van markeringen, acht de Raad deze afdoende toegelicht.
Gelet op de aan die functies te ontlenen verdiencapaciteit en het voor appellant in aanmerking genomen maatgevende inkomen, dient ten slotte ook de indeling in de arbeidsongeschiktheidsklasse 25 tot 35% voor juist te worden gehouden.
De aangevallen uitspraak komt voor bevestiging in aanmerking.
De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door J.W. Schuttel. De beslissing is, in tegenwoordigheid van J.E.M.J. Hetharie als griffier, uitgesproken in het openbaar op 12 januari 2007.
(get.) J.W. Schuttel.
(get.) J.E.M.J. Hetharie.
RB1812