ECLI:NL:CRVB:2007:AZ7183

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
12 januari 2007
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
04-7137 WAO
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • J.W. Schuttel
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:75 AwbWet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging intrekking arbeidsongeschiktheidsuitkering wegens afgenomen arbeidsongeschiktheid

Appellante ging in hoger beroep tegen het besluit van het UWV tot intrekking van haar arbeidsongeschiktheidsuitkering per 21 februari 2003, omdat haar arbeidsongeschiktheid was afgenomen tot minder dan 15%. De rechtbank Rotterdam had het beroep van appellante ongegrond verklaard en de intrekking bevestigd.

In hoger beroep herhaalde appellante haar bezwaren over het medisch onderzoek, waaronder het ontbreken van een onafhankelijke deskundige en de onvoldoende zorgvuldige beoordeling van haar klachten. Zij kondigde een medische expertise aan ter ondersteuning van haar standpunt.

De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat het onderzoek door de verzekeringsartsen zorgvuldig en weloverwogen was uitgevoerd, gebaseerd op anamnese, onderzoek, informatie van behandelaars en psychiatrische expertise. Er waren geen aanwijzingen voor een ondeugdelijk medisch oordeel. Ook de arbeidskundige beoordeling van de functies die appellante nog zou kunnen vervullen, was op goede gronden gebaseerd.

Daarom bevestigde de Raad de uitspraak van de rechtbank en het besluit van het UWV tot intrekking van de uitkering. Er waren geen gronden om toepassing te geven aan artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de intrekking van de arbeidsongeschiktheidsuitkering wegens afgenomen arbeidsongeschiktheid.

Uitspraak

04/7137 WAO
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[appellante] (hierna: appellante),
tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 5 november 2004, 03/3562 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellante
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).
Datum uitspraak: 12 januari 2007
I. PROCESVERLOOP
Namens appellante, heeft mr. A.L. Kuit, advocaat te Rotterdam, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 1 december 2006, waar partijen met bericht van verhindering niet zijn verschenen.
II. OVERWEGINGEN
Het inleidend beroep richt zich tegen het besluit van het Uwv van 22 oktober 2003 (het bestreden besluit) waarbij het Uwv heeft gehandhaafd zijn besluit van 8 januari 2003 strekkende tot intrekking van de eerder aan appellante toegekende arbeidsongeschiktheidsuitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheids-verzekering met ingang van 21 februari 2003 omdat de mate van arbeidsongeschiktheid is afgenomen tot minder dan 15%.
Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank overwogen dat zij geen aanknopingspunten heeft gevonden voor het oordeel dat het Uwv van onjuiste medische beperkingen is uitgegaan. Met inachtneming van die beperkingen is appellante naar het oordeel van de rechtbank door het Uwv terecht geschikt geacht voor de werkzaamheden verbonden aan de door de arbeidsdeskundige geduide functies.
De rechtbank heeft het beroep van appellante ongegrond verklaard.
Appellante heeft in hoger beroep de eerder naar voren gebrachte grieven herhaald, welke - kort samengevat - betreffen het onvoldoende zorgvuldig verrichte onderzoek door de verzekeringsartsen naar de klachten van appellante, het niet inschakelen van een onafhankelijke deskundige en het als gevolg van de klachten niet in staat zijn om de geduide functies te vervullen. Ter ondersteuning van haar standpunt heeft appellante aangezegd een medische expertise in geding te zullen brengen.
De Raad overweegt als volgt.
Naar het oordeel van de Raad is het onderzoek door de (bezwaar)verzekeringsartsen zorgvuldig en weloverwogen geweest. De conclusies van die artsen zijn gebaseerd op de anamnese, onderzoek van appellante en het meewegen van informatie uit de behandelende sector alsook een psychiatrische expertise. De Raad heeft geen aanknopingspunten gevonden om te twijfelen aan de juistheid van het aldus aan het bestreden besluit ten grondslag gelegde medische oordeel. De Raad stelt in dat kader vast dat de bezwaarverzekeringsarts J.H. Logger in zijn rapportages van 3 juni en 1 september 2003 afdoende heeft gemotiveerd waarom hij geen aanleiding heeft gevonden om de beperkingen anders vast te stellen dan door de verzekeringsarts J.P. Janssen reeds is aangegeven. Nu door appellante geen medische gegevens in geding zijn gebracht, die aanleiding geven voor de veronderstelling dat sprake is van een ondeugdelijke medische oordeelsvorming, concludeert de Raad dat de medische grondslag van het bestreden besluit als juist kan worden aanvaard.
Voor wat betreft de arbeidskundige component steunt de schatting op de door de arbeidsdeskundige A. Nuijten in zijn rapportage van 16 december 2002 aangegeven functies. De Raad heeft uitgaande van de juistheid van de vastgestelde belastbaarheid en de gegeven toelichting op mogelijke overschrijdingen in bedoelde functies van deze belastbaarheid evenmin grond om ervan uit te gaan dat deze functies voor haar in medisch opzicht niet geschikt zouden zijn. Vastgesteld kan worden dat de arbeidskundige component eveneens op goede gronden berust.
Het vorenstaande betekent dat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.
De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
De uitspraak is gedaan door J.W. Schuttel. De beslissing is, in tegenwoordigheid van J.E.M.J. Hetharie als griffier, uitgesproken in het openbaar op 12 januari 2007.
(get.) J.W. Schuttel.
(get.) J.E.M.J. Hetharie.
RB1812