ECLI:NL:CRVB:2007:AZ7268
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- J.W. Schuttel
- J. Riphagen
- A.T. de Kwaasteniet
- Rechtspraak.nl
Weigering WAO-uitkering wegens geschiktheid eigen werk ondanks arbeidsgehandicaptenstatus
Appellant heeft beroep ingesteld tegen de beslissing van het UWV om hem geen WAO-uitkering toe te kennen, omdat hij volgens het UWV minder dan 15% arbeidsongeschikt was na een wachttijd van 52 weken. Appellant stelde dat hij zijn functie als magazijn/algemeen medewerker na een voetoperatie niet volledig kon vervullen en dat zijn arbeidsongeschiktheid hoger moest worden ingeschat.
Daarnaast voerde appellant aan dat het UWV onterecht zijn WAO-beoordeling baseerde op zijn geschiktheid voor het eigen werk, terwijl hij kort daarvoor als arbeidsgehandicapte was erkend volgens de Wet REA. De Raad oordeelde dat de status van arbeidsgehandicapte in de Wet REA geen zelfstandige betekenis heeft voor de WAO-beoordeling, omdat de begrippen verschillen en de WAO geen rekening houdt met arbeidsmarktkansen.
De Raad stelde vast dat de medische beoordeling door de verzekeringsarts en de bezwaarverzekeringsarts juist was en dat appellant terecht geschikt werd geacht voor zijn eigen functie. De stelling dat het eigen werk niet beschikbaar was en aangepast werk verricht werd, werd niet onderbouwd met concrete feiten en werd verworpen. De aangevallen uitspraak van de rechtbank werd bevestigd en er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van de WAO-uitkering omdat appellant geschikt wordt geacht voor zijn eigen werk.