ECLI:NL:CRVB:2007:AZ7563

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
11 januari 2007
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
06-3281 WUV
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Rechters
  • H.R. Geerling-Brouwer
  • G.L.M.J. Stevens
  • C.G. Kasdorp
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1a Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945Art. 8:75 Algemene wet bestuursrecht
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Weigering periodieke weduwe-uitkering wegens duurzaam gescheiden leven

Appellante heeft beroep ingesteld tegen het besluit van de Pensioen- en Uitkeringsraad om haar aanvraag voor een periodieke uitkering als weduwe af te wijzen. De afwijzing was gebaseerd op het feit dat appellante duurzaam gescheiden leefde van haar echtgenoot, de overledene.

De Raad overwoog dat volgens artikel 1a, tweede lid, aanhef en onder b, van de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945, iemand die duurzaam gescheiden leeft van zijn echtgenoot als ongehuwd wordt aangemerkt voor de toepassing van de wet. Appellante leefde al jaren gescheiden en de overledene was sinds 1999 met een nieuwe partner samen.

Hoewel appellante stelde dat het huwelijk niet was ontbonden en dat de overledene kort voor zijn dood wilde terugkeren, achtte de Raad deze feiten onvoldoende om het duurzame gescheiden leven te doorbreken. De feitelijke situatie was bepalend, niet de juridische. Daarom werd het beroep ongegrond verklaard.

Uitkomst: Het beroep wordt ongegrond verklaard omdat appellante duurzaam gescheiden leefde en geen recht heeft op de weduwe-uitkering.

Uitspraak

06/3281 WUV
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellante], wonende te [woonplaats] (Indonesië) (hierna: appellante),
en
de Raadskamer WUV van de Pensioen- en Uitkeringsraad (hierna: verweerster)
Datum uitspraak: 11 januari 2007
I. PROCESVERLOOP
Appellante heeft beroep ingesteld tegen verweersters besluit van 24 maart 2006, kenmerk JZ/W60/2006, waarbij uitvoering is gegeven aan de Wet uitkeringen vervolgings-slachtoffers 1940-1945, hierna: de Wet.
Verweerster heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 30 november 2006. Aldaar is appellante niet verschenen en heeft verweerster zich doen vertegenwoordigen door
mr. C. Vooijs, werkzaam bij de Pensioen- en Uitkeringsraad.
II. OVERWEGINGEN
Blijkens de gedingstukken heeft appellante in juli 2005 bij verweerster een aanvraag ingediend om toekenning van een periodieke uitkering ingevolge de Wet als weduwe van [naam betrokkene], hierna: betrokkene, die is overleden op 4 juni 2005.
Bij besluit van 13 september 2005, zoals na bezwaar gehandhaafd bij het thans bestreden besluit, heeft verweerster op deze aanvraag afwijzend beslist. Hierbij is overwogen dat appellante voor de toepassing van de Wet niet kan worden aangemerkt als weduwe van betrokkene, aangezien zij op het moment van overlijden van betrokkene duurzaam van hem gescheiden leefde.
Appellante kan zich met het bestreden besluit niet verenigen. In dit verband heeft zij naar voren gebracht dat zij weliswaar gescheiden leefde van betrokkene, maar nog steeds wettig gehuwd was en voorts dat betrokkene kort voor zijn dood heeft aangegeven opnieuw bij haar in [woonplaats] te willen gaan wonen.
De Raad overweegt als volgt.
Ingevolge artikel 1a, tweede lid, aanhef en onder b, van de Wet wordt voor de toepassing van de Wet als ongehuwd mede aangemerkt degene die duurzaam gescheiden leeft van de persoon met wie hij gehuwd is.
Voor de Raad is genoegzaam komen vast te staan dat appellante al een groot aantal jaren gescheiden leeft van betrokkene en voorts dat betrokkene met een nieuwe partner is gaan samenleven en voor toepassing van de Wet door verweerster al sedert 1999 wordt aangemerkt als gehuwd met deze partner. Onder deze omstandigheden kan de Raad het gescheiden leven van appellante en betrokkene niet anders dan als duurzaam aanmerken. De omstandigheid dat betrokkene mogelijk de wil kan hebben gehad het gescheiden leven te beëindigen doet dit niet anders zijn, nu deze wil voor zijn overlijden niet is gerealiseerd.
Gelet op het bepaalde in voormeld artikel 1a, tweede lid, aanhef en onder b, van de Wet moet dan ook worden vastgesteld dat eiseres voor toepassing van de Wet als ongehuwd moet worden aangemerkt. De omstandigheid dat het huwelijk tussen betrokkene en appellante nooit wettig is ontbonden kan niet tot een ander oordeel leiden, daar voor toepassing van de Wet de feitelijke en niet de juridische situatie bepalend is.
Verweerster heeft derhalve op goede gronden geoordeeld dat appellante geen recht kan doen gelden op een uitkering als weduwe van de vervolgde.
De Raad acht geen termen aanwezig toepassing te geven aan artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door H.R. Geerling-Brouwer als voorzitter en G.L.M.J. Stevens en C.G. Kasdorp als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van J.P. Schieveen als griffier, uitgesproken in het openbaar op 11 januari 2007.
(get.) H.R. Geerling-Brouwer.
(get.) J.P. Schieveen.