ECLI:NL:CRVB:2007:AZ7565

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
25 januari 2007
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
06-941 WWB
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 11 WWBArt. 17 WWB
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging weigering bijstandsuitkering wegens onvoldoende informatieverstrekking

Appellant had een aanvraag ingediend voor bijstandsuitkering die door het College van burgemeester en wethouders werd afgewezen wegens het niet verstrekken van voldoende informatie over zijn financiële situatie. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond omdat hij de inlichtingenplicht uit artikel 17 van Pro de WWB had geschonden door het gesprek over zijn aanvraag voortijdig te beëindigen zonder een bevredigend antwoord te geven op de vraag waarvan hij had geleefd.

De Centrale Raad van Beroep bevestigt deze uitspraak. Het is essentieel om inzicht te krijgen in de financiële situatie voorafgaand aan de aanvraag om het recht op bijstand te kunnen beoordelen. Appellant kon geen afdoende verklaring geven over hoe hij zijn kosten van bestaan, waaronder huisvesting en een reis naar Pakistan, had betaald. Zijn latere verklaringen waren onvoldoende onderbouwd en deels tegenstrijdig.

De Raad oordeelt dat appellant niet aan zijn inlichtingenplicht heeft voldaan, waardoor het recht op bijstand niet kon worden vastgesteld. De rechtbank heeft het beroep terecht ongegrond verklaard. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. De aangevallen uitspraak wordt bevestigd.

Uitkomst: De weigering van de bijstandsuitkering wordt bevestigd vanwege onvoldoende informatieverstrekking door appellant.

Uitspraak

06/941 WWB
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[appellant] wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),
tegen de uitspraak van de rechtbank Amtserdam van 22 december 2005, 05/235 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellant
en
het College van burgemeester en wethouders van de gemeente [woonplaats] (hierna: College)
Datum uitspraak: 25 januari 2007
I. PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft mr. S. Mahabier, advocaat te Amsterdam, hoger beroep ingesteld.
Het College heeft een verweerschrift ingediend en een nader stuk ingezonden. Namens appellant zijn de beroepsgronden nader aangevuld.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 14 december 2006. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Mahabier. Het College heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. L.M. Mulder, werkzaam bij de gemeente Amsterdam.
II. OVERWEGINGEN
De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.
Appellant heeft laatstelijk vanaf 20 augustus 2003 een uitkering ingevolge de Algemene bijstandswet ontvangen. Bij brief van 17 maart 2004 heeft het College het verzoek van appellant om met behoud van uitkering naar het buitenland te gaan ingewilligd wat betreft de periode van 12 maart tot en met 8 april 2004. Bij besluit van 13 mei 2004 is de bijstand met ingang van 13 april 2004 ingetrokken op de grond dat appellant zich niet heeft teruggemeld van zijn vakantie en dat een beëindigingsonderzoek wordt verricht om na te gaan met ingang van welke datum hij geen recht meer op bijstand heeft. Appellant is op 13 juni 2004 naar Nederland teruggekeerd en heeft op 14 juni 2004 opnieuw bijstand aangevraagd. Bij brief van 9 augustus 2004 heeft het College appellant verzocht nadere gegevens te verschaffen, waaronder bankafschriften van de laatste drie maanden en een verklaring waarin staat waarvan hij in de periode vanaf 13 april 2004 tot
9 augustus 2004 heeft geleefd. Tijdens een gesprek op 1 september 2004 bij de sociale dienst heeft appellant hierover een verklaring afgelegd welke op schrift is gesteld en door hem is ondertekend. Deze verklaring houdt onder meer in dat appellant bij zijn broer en een andere huisgenoot inwoont en zijn broer € 150,-- huur betaalt, dat hij de bankrekening van zijn moeder gebruikt, dat zijn huisgenoten het eten betalen en dat hij geen geld heeft geleend van zijn moeder of broer. Omdat er nog een aantal onduidelijkheden waren is appellant uitgenodigd voor een vervolggesprek op
10 september 2004. Tijdens dit gesprek heeft appellant op de vraag waarvan hij vanaf
13 april 2004 heeft geleefd geantwoord de kosten voor de reis (€ 700,--) naar Pakistan te hebben gespaard van de nabetaling ineens van een bedrag van € 1.910,14 aan bijstand die hij eind januari 2004 heeft ontvangen. Hij heeft vervolgens verklaard dat hij € 150,-- per maand onderhuur aan zijn broer moet betalen. Geconfronteerd met de opmerking van de rapporteur dat het onmogelijk is dat hij de kosten van de reis en van huur en levensonderhoud heeft betaald van de aan hem betaalde bijstand, heeft appellant volhard in zijn verklaring. Aan het einde van het gesprek is appellant nog eenmaal verzocht om een reëel antwoord op de vraag waarvan hij heeft geleefd tot op heden, waarbij is gewezen op de inlichtingen- en medewerkingsplicht. Vervolgens is appellant kwaad weggelopen uit de spreekkamer.
Bij besluit van 16 september 2004 heeft het College de aanvraag van appellant afgewezen. Bij besluit van 9 december 2004 heeft het College het bezwaar tegen het besluit van 16 september 2004 ongegrond verklaard. Aan dat besluit ligt het standpunt ten grondslag dat appellant in strijd met de in artikel 17 van Pro de Wet werk en bijstand (WWB) omschreven inlichtingenverplichting niet de informatie heeft verstrekt die nodig was om het recht op bijstand te kunnen vaststellen.
Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 9 december 2004 ongegrond verklaard. Daartoe heeft zij onder meer overwogen dat appellant de inlichtingenverplichting als bedoeld in artikel 17 van Pro de WWB heeft geschonden door het gesprek over zijn aanvraag te beëindigen zonder dat een bevredigend antwoord was gegeven op de vraag waarvan hij had geleefd en dat hij aldus geen duidelijkheid heeft verschaft over zijn financiële positie. Gelet op het feit dat de financiële positie van een belanghebbende van essentieel belang is voor de beoordeling van het recht op bijstand, heeft het College naar het oordeel van de rechtbank terecht het standpunt ingenomen dat als gevolg van de schending van de inlichtingenplicht het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld.
Appellant heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen deze uitspraak gekeerd.
De Raad komt tot de volgende beoordeling.
Ingevolge artikel 11, eerste lid (oud), van de WWB heeft iedere Nederlander die hier te lande in zodanige omstandigheden verkeert of dreigt te geraken dat hij niet over de middelen beschikt om in de noodzakelijke kosten van het bestaan te voorzien, recht op bijstand van overheidswege. In verband hiermee is het voor de beoordeling van het recht op bijstand als regel noodzakelijk om inzicht te verkrijgen in de financiële situatie in de aan de bijstandaanvraag voorafgaande periode. Aangezien appellant voorafgaande aan de bijstandsaanvraag gedurende drie maanden geen recht op bijstand had, was het antwoord op de vraag waarvan hij in de periode tot het intakegesprek op 10 september 2004 heeft geleefd van belang voor de beoordeling van de vraag of hij in bijstandbehoevende omstandigheden verkeerde. Mede omdat appellant niet bleek te beschikken over een eigen bankrekening, kon van hem worden verlangd dat hij inzicht gaf in zijn financiële situatie en zijn verklaringen zo nodig aan de hand van stukken onderbouwde. Op grond van de rapporten van de op 1 en 10 september 2004 met appellant gevoerde gesprekken is de Raad van oordeel dat appellant geen afdoende verklaring heeft gegeven op de vraag hoe hij ondanks zijn beperkte middelen in de kosten van zijn bestaan, waaronder de kosten van huisvesting en van zijn reis naar Pakistan heeft kunnen voorzien. Met de rechtbank is de Raad van oordeel dat appellant door zijn handelwijze de in het kader van zijn aanvraag om bijstand op grond van artikel 17, eerste lid, van de WWB op hem rustende inlichtingenverplichting in onvoldoende mate is nagekomen. Als gevolg hiervan kon niet worden vastgesteld of appellant ten tijde als hier van belang verkeerde in omstandigheden als bedoeld in artikel 11 van Pro de WWB.
Appellant heeft in (hoger) beroep naar voren gebracht dat hij tijdens zijn verblijf in Pakistan op kosten van zijn familie heeft geleefd en geen onderhuur aan zijn broer was verschuldigd en dat hij nog geld had gespaard van de bedragen welke hem in 2003 aan bijstand en langdurigheidstoeslag zijn uitbetaald. Deze nadere verklaringen, welke deels afwijken van hetgeen appellant eerder heeft verklaard en niet zijn onderbouwd met bijvoorbeeld verklaringen van de betreffende familieleden, bieden onvoldoende grondslag voor het oordeel dat het recht op bijstand alsnog kan worden vastgesteld.
Het voorgaande leidt de Raad tot het slotsom dat de rechtbank het beroep tegen de weigering van bijstand aan appellant terecht ongegrond heeft verklaard. Dit betekent dat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.
Voor een proceskostenveroordeling acht de Raad geen termen aanwezig.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door R.C. Schoemaker als voorzitter en G. van der Wiel en
N.J. van Vulpen-Grootjans als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van
M. Pijper als griffier, uitgesproken in het openbaar op 25 januari 2007.
(get.) R.C. Schoemaker.
(get.) M. Pijper.