ECLI:NL:CRVB:2007:AZ7569

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
11 januari 2007
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
06-3109 WUBO
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Rechters
  • H.R. Geerling-Brouwer
  • G.L.M.J. Stevens
  • C.G. Kasdorp
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2, eerste lid, onder f WUBOArt. 19 WUBOArt. 8:75 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing toeslag en vervoersvoorziening wegens ontbreken blijvende invaliditeit door oorlogsgeweld

Appellant, geboren in 1931 in het voormalige Nederlands-Indië, diende in maart 2005 een aanvraag in voor een toeslag ter verbetering van zijn levensomstandigheden en een voorziening voor deelname aan het maatschappelijk verkeer op grond van de Wet uitkeringen burger-oorlogsslachtoffers 1940-1945 (WUBO). Hij baseerde zijn aanvraag op gezondheidsklachten die hij toeschreef aan zijn oorlogservaringen, waaronder internering tijdens de Bersiap-periode.

Verweerster wees de aanvraag af omdat appellant weliswaar getroffen was door oorlogsgeweld, maar niet voldeed aan de eis van blijvende invaliditeit als gevolg daarvan. Appellant voerde in beroep aan dat het medisch onderzoek te kort was en onvoldoende rekening hield met zijn traumatische ervaringen. De Raad stelde vast dat de psychische klachten niet van dien aard waren dat zij tot invaliditeit leidden, mede op basis van adviezen van geneeskundig adviseurs en het medisch onderzoek door dr. Allan White.

De Raad oordeelde dat het onderzoek zorgvuldig was uitgevoerd en dat een psychiater in staat wordt geacht ook in kortdurend onderzoek een juist oordeel te geven. Er waren geen medische gegevens die het tegendeel bewezen. Daarom bestond geen grond voor vernietiging van het besluit en werd het beroep ongegrond verklaard. Tevens werd geen vergoeding van proceskosten toegekend.

Uitkomst: Het beroep tegen de weigering van toeslag en vervoersvoorziening wordt ongegrond verklaard wegens het ontbreken van blijvende invaliditeit.

Uitspraak

06/3109 WUBO
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellant], wonende te [woonplaats], NSW, Australië (hierna: appellant),
en
de Raadskamer WUBO van de Pensioen- en Uitkeringsraad (hierna: verweerster)
Datum uitspraak: 11 januari 2007
I. PROCESVERLOOP
Appellant heeft beroep ingesteld tegen een door verweerster onder dagtekening
28 februari 2006, kenmerk JZ/P70/2006, ten aanzien van appellant genomen besluit ter uitvoering van de Wet uitkeringen burger-oorlogsslachtoffers 1940-1945 (hierna: de Wet).
Verweerster heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 30 november 2006. Aldaar is appellant niet verschenen, terwijl verweerster zich heeft doen vertegenwoordigen door
mr. C. Vooijs, werkzaam bij de Pensioen- en Uitkeringsraad.
II. OVERWEGINGEN
Appellant, geboren in 1931 in het voormalige Nederlands-Indië, heeft in maart 2005 bij verweerster een aanvraag ingediend om toekenning van de toeslag ter verbetering van zijn levensomstandigheden als bedoeld in artikel 19 van Pro de Wet en een voorziening voor deelname aan het maatschappelijk verkeer. Die aanvraag heeft appellant gebaseerd op gezondheidsklachten die een gevolg zouden zijn van zijn oorlogservaringen in het voormalige Nederlands-Indië.
Verweerster heeft de aanvraag afgewezen bij besluit van 5 oktober 2005, zoals na daartegen gemaakt bezwaar gehandhaafd bij het thans bestreden besluit, op de grond dat appellant weliswaar is getroffen door oorlogsgeweld als bedoeld in artikel 2, eerste lid, onder f, van de Wet, te weten internering tijdens de Bersiap-periode in de gevangenis Lowokwaroe, in het Marinekamp en in “De Wijk” te Malang, maar dat niet is voldaan aan de ingevolge de Wet tevens geldende eis dat sprake is van blijvende invaliditeit ten gevolge van dit oorlogsgeweld.
In beroep heeft appellant zich gekeerd tegen het onderzoeksverslag van dr. Allan White M.B., B.S., te Newcastle, Australië. In dit verband heeft appellant aangegeven dat het onderzoek zijns inziens te kort heeft geduurd om in detail zijn traumatische ervaringen uit te leggen.
In dit geding staat ter beantwoording de vraag of het bestreden besluit, gelet op hetgeen door appellant in beroep is aangevoerd, in rechte kan standhouden.
Dienaangaande overweegt de Raad als volgt.
Blijkens de gedingstukken staat verweerster ten aanzien van de psychische klachten van appellant op het standpunt dat deze geen dusdanige beperkingen opleveren in het dagelijks leven dat gesproken kan worden van een voor toepassing van de Wet in aanmerking te nemen blijvende invaliditeit.
Deze zienswijze van verweerster is in overeenstemming met de adviezen van een tweetal geneeskundig adviseurs van de Pensioen- en Uitkeringsraad, welke adviezen berusten op de resultaten van een op verzoek van verweerster door dr. Allan P. White voornoemd ingesteld medisch onderzoek van appellant en op uit de behandelende sector verkregen informatie. In deze adviezen is aangegeven - samengevat - dat bij appellant wel sprake is van psychische klachten maar dat de daarmee samenhangende problematiek, gelet op het activiteitenpatroon en het copinggedrag van appellant, van zo geringe omvang is dat die niet als een tot invaliditeit leidende stoornis is aan te merken.
Met betrekking tot de klachten van appellant betreffende het onderzoek van dr. White deelt de Raad de opvatting van de geneeskundig adviseur van verweerster dat uit de beschikbare gegevens niet kan worden afgeleid dat de psychiatrische keuring niet op zorgvuldige wijze is tot stand gekomen. Naar het oordeel van de Raad moet een psychiater geacht worden over voldoende specifieke kennis en ervaring te beschikken om ook in een door betrokkene als kort ervaren onderzoek tot een juist oordeel te komen. Medische gegevens, die er op wijzen dat het in dit geval anders zou zijn, zijn niet voorhanden.
Gezien het vorenstaande bestaat voor vernietiging van het bestreden besluit geen grond en dient het ingestelde beroep ongegrond te worden verklaard.
De Raad acht, ten slotte, geen termen aanwezig om toepassing te geven aan het bepaalde in artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht inzake een vergoeding van proceskosten.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door H.R. Geerling-Brouwer als voorzitter en G.L.M.J. Stevens en C.G. Kasdorp als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van J.P. Schieveen als griffier, uitgesproken in het openbaar op 11 januari 2007.
(get.) H.R. Geerling-Brouwer.
(get.) J.P. Schieveen.