ECLI:NL:CRVB:2007:AZ7581

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
11 januari 2007
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
06-2755 WUBO
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Rechters
  • H.R. Geerling-Brouwer
  • G.L.M.J. Stevens
  • C.G. Kasdorp
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:75 AwbArt. 19 Wet uitkeringen burger-oorlogsslachtoffers 1940-1945Art. 32 Wet uitkeringen burger-oorlogsslachtoffers 1940-1945Art. 33 Wet uitkeringen burger-oorlogsslachtoffers 1940-1945
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing voorziening aanschaf auto wegens ontbreken absolute taxi-onbruikbaarheid

Appellant, erkend als burger-oorlogsslachtoffer met psychische invaliditeit, verzocht om een voorziening voor de aanschaf van een auto omdat hij vanwege zijn psychische klachten geen vertrouwen heeft in taxichauffeurs en alleen zelf wil rijden. Verweerster wees dit verzoek af omdat er geen medische indicatie was voor een totale ongeschiktheid om een taxi te gebruiken.

De Raad overwoog dat het beleid vereist dat een voorziening voor aanschaf van een auto alleen wordt toegekend bij absolute verhindering om gebruik te maken van openbaar vervoer en taxi. Hoewel appellant niet in staat is het openbaar vervoer te gebruiken, was niet in geschil dat hij wel gebruik kan maken van een taxi. Dit oordeel werd ondersteund door medisch advies van een psychiater die concludeerde dat appellant niet buiten staat is een taxi te gebruiken.

De Raad vond geen aanleiding om het besluit van verweerster te vernietigen. Er waren geen medische gegevens die het oordeel konden weerleggen en geen aanwijzingen dat het psychiatrisch onderzoek onvolledig of onjuist was. Ook werd geen proceskostenvergoeding toegekend. Het beroep werd ongegrond verklaard.

Uitkomst: Het beroep wordt ongegrond verklaard en de afwijzing van de voorziening voor aanschaf van een auto blijft in stand.

Uitspraak

06/2755 WUBO
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),
en
de Raadskamer WUBO van de Pensioen- en Uitkeringsraad (hierna: verweerster)
Datum uitspraak: 11 januari 2007
I. PROCESVERLOOP
Namens appellant is beroep ingesteld tegen een door verweerster onder dagtekening
28 april 2006, kenmerk JZ/I/70/2006, ten aanzien van appellant genomen besluit ter uitvoering van de Wet uitkeringen burger-oorlogsslachtoffers 1940-1945 (hierna: de Wet).
Verweerster heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 30 november 2006. Daar is appellant verschenen bij zijn gemachtigde mr. J.C.M. van Berkel, advocaat te Heerlen. Verweerster heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. C. Vooijs, werkzaam bij de Pensioen- en Uitkeringsraad.
II. OVERWEGINGEN
Blijkens de gedingstukken is appellant, geboren in 1937, op grond van psychische invaliditeit erkend als burger-oorlogsslachtoffer in de zin van de Wet. Als zodanig is hem, onder meer, een toeslag als bedoeld in artikel 19 van Pro de Wet en een vergoeding van de kosten verbonden aan vervoer voor het onderhouden van sociale contacten toegekend.
In september 2004 heeft appellant bij verweerster een vervolgaanvraag ingediend om toekenning van een voorziening in de kosten van aanschaf van een auto. Daartoe heeft appellant aangevoerd dat hij vanwege zijn psychische klachten geen gebruik kan maken van een taxi omdat hij geen vertrouwen heeft in taxichauffeurs, maar alleen zelf de auto wil besturen.
Verweerster heeft de aanvraag afgewezen bij besluit van 8 maart 2005, zoals na gemaakt bezwaar gehandhaafd bij het bestreden besluit, onder overweging - samengevat - dat deze voorziening niet medisch is geïndiceerd nu bij appellant geen sprake is van een totale beperking om per taxi te reizen.
De Raad dient antwoord te geven op de vraag of het bestreden besluit, gelet op hetgeen namens appellant in beroep is aangevoerd, in rechte kan standhouden.
Dienaangaande overweegt de Raad als volgt.
Naar vaste rechtspraak van de Raad is, gelet op de aard van de gevraagde voorziening, het door verweerster in dezen gehanteerde uitgangspunt om eerst dan over te gaan tot toekenning van de gevraagde voorziening indien sprake is van een absolute verhindering om van het openbaar vervoer en van een taxi gebruik te maken, in overeenstemming met een redelijke uitleg en toepassing van de artikelen 32 en 33 van de Wet.
Tussen partijen is niet in geschil dat het voor appellant in verband met zijn psychische oorlogsinvaliditeit niet mogelijk is om gebruik te maken van het openbaar vervoer. Partijen verschillen van inzicht over de vraag of deze oorlogsinvaliditeit appellant ook verhindert om gebruik te maken van een taxi.
Het standpunt van verweerster dat bij appellant geen sprake is van een absolute verhindering om van een taxi gebruik te maken, is in overeenstemming met het medisch advies van haar geneeskundig adviseur, de arts A.J. Maas, welk advies berust op het rapport van een op verzoek van verweerster door de psychiater C.M.M. Vleugels ingesteld medisch onderzoek van appellant. Deze psychiater komt op grond van een specifiek daartoe gericht onderzoek tot de conclusie dat appellant niet buiten staat is te achten gebruik te maken van een taxi.
De Raad acht het bestreden besluit op grond van de genoemde medische rapportage deugdelijk voorbereid en gemotiveerd. In de voorhanden medische en andere gegevens heeft de Raad geen aanknopingspunt gevonden om het aan deze rapportage door verweerster ontleende standpunt onjuist te oordelen.
Voor zover namens appellant grieven zijn ingebracht met betrekking tot het onderzoek van de psychiater Vleugels overweegt de Raad dat hij geen aanwijzingen heeft gevonden om te twijfelen aan de volledigheid van het onderzoek door deze psychiater dan wel aan de juistheid van diens bevindingen en conclusies. Van de kant van appellant zijn ook geen medische gegevens ingebracht die daarop een ander licht kunnen werpen.
Gezien het voorgaande bestaat voor vernietiging van het bestreden besluit geen grond, zodat dit besluit in rechte kan standhouden.
De Raad acht, ten slotte, geen termen aanwezig om toepassing te geven aan het bepaalde in artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht inzake een vergoeding van proceskosten.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door H.R. Geerling-Brouwer als voorzitter en G.L.M.J. Stevens en C.G. Kasdorp als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van J.P. Schieveen als griffier, uitgesproken in het openbaar op 11 januari 2007.
(get.) H.R. Geerling-Brouwer.
(get.) J.P. Schieveen.