ECLI:NL:CRVB:2007:AZ7583
Centrale Raad van Beroep
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- G.L.M.J. Stevens
- Rechtspraak.nl
Afwijzing WUV-uitkering wegens ontbreken vervolging tijdens Japanse bezetting
Appellante, geboren in 1933 in het voormalige Nederlands-Indië, vroeg een WUV-uitkering aan op grond van de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945. Zij stelde dat haar vader tijdens de Japanse bezetting geïnterneerd was geweest en als gevolg daarvan was overleden. Verweerster wees de aanvraag af omdat appellante geen vervolging had ondergaan en de omstandigheden waaronder zij de oorlogsjaren doorbracht niet uitzonderlijk genoeg waren om haar met een vervolgd persoon gelijk te stellen.
De Raad overwoog dat onder vervolging wordt verstaan vrijheidsberoving door de vijandelijke bezettende macht gericht tegen personen van Europese afkomst, met het oog op beëindiging van het leven of permanente bewaking. Appellante had echter geen vrijheidsberoving ondergaan. De anti-hardheidsbepaling die gelijkstelling mogelijk maakt, werd niet toegepast omdat onvoldoende was vastgesteld dat de vader van appellante vervolging had ondergaan en dat hij daardoor was overleden.
De Raad stelde vast dat het ontbreken van objectieve gegevens en onvoldoende overtuigende getuigenverklaringen de afwijzing rechtvaardigden. Ook was er geen grond voor vergoeding van proceskosten. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard en het bestreden besluit bleef in stand.
Uitkomst: Het beroep wordt ongegrond verklaard en het besluit tot weigering van de WUV-uitkering blijft in stand.