ECLI:NL:CRVB:2007:AZ7583

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
18 januari 2007
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
06-2723 WUV
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • G.L.M.J. Stevens
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2 Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945Art. 3 lid 2 Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945Art. 8:75 Algemene wet bestuursrecht
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing WUV-uitkering wegens ontbreken vervolging tijdens Japanse bezetting

Appellante, geboren in 1933 in het voormalige Nederlands-Indië, vroeg een WUV-uitkering aan op grond van de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945. Zij stelde dat haar vader tijdens de Japanse bezetting geïnterneerd was geweest en als gevolg daarvan was overleden. Verweerster wees de aanvraag af omdat appellante geen vervolging had ondergaan en de omstandigheden waaronder zij de oorlogsjaren doorbracht niet uitzonderlijk genoeg waren om haar met een vervolgd persoon gelijk te stellen.

De Raad overwoog dat onder vervolging wordt verstaan vrijheidsberoving door de vijandelijke bezettende macht gericht tegen personen van Europese afkomst, met het oog op beëindiging van het leven of permanente bewaking. Appellante had echter geen vrijheidsberoving ondergaan. De anti-hardheidsbepaling die gelijkstelling mogelijk maakt, werd niet toegepast omdat onvoldoende was vastgesteld dat de vader van appellante vervolging had ondergaan en dat hij daardoor was overleden.

De Raad stelde vast dat het ontbreken van objectieve gegevens en onvoldoende overtuigende getuigenverklaringen de afwijzing rechtvaardigden. Ook was er geen grond voor vergoeding van proceskosten. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard en het bestreden besluit bleef in stand.

Uitkomst: Het beroep wordt ongegrond verklaard en het besluit tot weigering van de WUV-uitkering blijft in stand.

Uitspraak

06/2723 WUV
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellante], wonende te [woonplaats] (Indonesië) (hierna: appellante),
en
de Raadskamer WUV van de Pensioen- en Uitkeringsraad (hierna: verweerster)
Datum uitspraak: 18 januari 2007
I. PROCESVERLOOP
Appellante heeft beroep ingesteld tegen een door verweerster onder dagtekening
27 januari 2006, kenmerk JZ/Y60/2006, ten aanzien van haar genomen besluit ter uitvoering van de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945 (hierna: de Wet).
Verweerster heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 7 december 2006. Daar is appellante niet verschenen. Verweerster heeft zich laten vertegenwoordigen door A.T.M. Vroom-van Berckel, werkzaam bij de Pensioen- en Uitkeringsraad.
II. OVERWEGINGEN
In februari 2005 heeft appellante, geboren in 1933 in het voormalige Nederlands-Indië, bij verweerster een aanvraag ingediend om toekenning van, onder meer, een periodieke uitkering ingevolge de Wet. In dat verband heeft appellante aangevoerd dat haar vader tijdens de Japanse bezetting geïnterneerd is geweest in het kamp Kebon Waru te Bandung en als gevolg van mishandelingen aldaar is overleden op 14 april 1945.
Verweerster heeft die aanvraag afgewezen bij besluit van 5 augustus 2005, zoals na gemaakt bezwaar gehandhaafd bij het thans bestreden besluit, op de grond dat appellante geen vervolging heeft ondergaan, terwijl de omstandigheden waaronder zij de oorlogsjaren heeft doorgebracht niet zodanig uitzonderlijk zijn geweest dat appellante met de vervolgde kan worden gelijkgesteld.
De Raad dient antwoord te geven op de vraag of het bestreden besluit, gelet op hetgeen door appellante in beroep is aangevoerd, in rechte kan standhouden.
Dienaangaande overweegt de Raad als volgt.
Op grond van artikel 2 van Pro de Wet wordt - samengevat en voor zover hier van belang - onder vervolging verstaan: handelingen of maatregelen van de vijandelijke bezettende macht van het voormalige Nederlands-Indië, gericht tegen personen of groepen van personen op grond van hun Europese afkomst of Europees georiënteerde of gezinde instelling, welke hebben geleid tot vrijheidsberoving door opsluiting in concentratie-kampen, gevangenissen of andere verblijfplaatsen waar beëindiging van het leven dan wel permanente bewaking werd beoogd.
Op grond van de gedingstukken staat vast dat appellante tijdens de Japanse bezetting geen vrijheidsberoving in de zin van de Wet heeft ondergaan.
Ten aanzien van verweersters weigering om appellante met toepassing van het bepaalde in artikel 3, tweede lid, van de Wet met de vervolgde gelijk te stellen, overweegt de Raad het volgende.
Ingevolge dit artikellid kan verweerster - onder meer - met de vervolgde gelijkstellen de persoon die tijdens de oorlogsjaren 1940-1945 in omstandigheden heeft verkeerd welke overeenkomst vertonen met vervolging, indien het niet toepassen van de Wet een klaarblijkelijke hardheid zou zijn.
In het kader van de in artikel 3, tweede lid, van de Wet gegeven discretionaire bevoegd-heid hanteert verweerster met betrekking tot met de vervolging overeenkomende omstandigheden, onder meer, een richtlijn die inhoudt dat er aanleiding kan zijn om met toepassing van de anti-hardheidsbepaling tot gelijkstelling over te gaan indien de ouder van de aanvrager, die tot het moment van wegvoering in gezinsverband met de aanvrager leefde, tijdens de oorlogsjaren 1940-1945 ten gevolge van de vervolging is omgekomen.
Verweerster heeft zich op het standpunt gesteld dat appellante niet heeft verkeerd in met vervolging vergelijkbare omstandigheden, nu onvoldoende is komen vast te staan dan wel aannemelijk gemaakt dat de vader van appellante vervolging heeft ondergaan en dat hij als gevolg daarvan is overleden.
De Raad kan zich met het standpunt van verweerster verenigen. Hierbij neemt de Raad in aanmerking dat het Nederlandse Rode Kruis en de Stichting Administratie Indonesische Pensioenen in de hun ter beschikking staande archieven geen gegevens hebben aangetroffen die de gestelde vervolging van de vader van appellante kunnen bevestigen. Met verweerster is de Raad van oordeel dat - bij het ontbreken van objectieve gegevens - de overgelegde getuigenverklaringen onvoldoende overtuigend zijn.
Voorts neemt de Raad in aanmerking dat geen objectieve gegevens voorhanden zijn gekomen omtrent de omstandigheden waaronder de vader van appellante is overleden.
Ook overigens is niet gebleken dat de omstandigheden waaronder appellante de oorlogsjaren heeft doorgebracht - en die gekenmerkt werden door armoede -overeenkomst vertonen met vervolging in de zin van de Wet.
Gezien het voorgaande bestaat voor vernietiging van het bestreden besluit geen grond, zodat dit besluit in rechte kan standhouden.
De Raad acht, ten slotte, geen termen aanwezig om toepassing te geven aan het bepaalde in artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht inzake een vergoeding van proceskosten.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door G.L.M.J. Stevens. De beslissing is, in tegenwoordigheid van J.P. Schieveen als griffier, uitgesproken in het openbaar op 18 januari 2007.
(get.) G.L.M.J. Stevens.
(get.) J.P. Schieveen