ECLI:NL:CRVB:2007:AZ7584
Centrale Raad van Beroep
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- G.L.M.J. Stevens
- Rechtspraak.nl
Afwijzing erkenning burger-oorlogsslachtoffer wegens onvoldoende bewijs oorlogsgeweld
Appellant, geboren in 1935 in het voormalige Nederlands-Indië, verzocht in mei 2005 om erkenning als burger-oorlogsslachtoffer op grond van de Wet uitkeringen burger-oorlogsslachtoffers 1940-1945 (WUBO). Hij stelde dat hij gezondheidsklachten had opgelopen door zijn oorlogservaringen tijdens de Japanse bezetting en de daaropvolgende Bersiapperiode.
De Pensioen- en Uitkeringsraad wees het verzoek af omdat niet was voldaan aan de voorwaarden voor erkenning als burger-oorlogsslachtoffer, met name omdat onvoldoende was aangetoond dat appellant direct was getroffen door oorlogsgeweld zoals omschreven in artikel 2 van Pro de Wet. Appellant had onder meer zijn onderduik in een kampong en het meemaken van beschietingen aangevoerd, maar het onderzoek van verweerster, inclusief getuigenverklaringen, leverde geen bevestiging van directe betrokkenheid bij oorlogsgeweld op.
De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat algemene oorlogsomstandigheden, zoals ontwrichting van het gezinsleven, armoede en dreiging, niet kwalificeren als oorlogsgeweld in de zin van de Wet. Hierdoor kon appellant niet worden erkend als burger-oorlogsslachtoffer. De Raad wees ook een vergoeding van proceskosten af en verklaarde het beroep ongegrond.
Hoewel appellant tijdens de oorlogsjaren angstige omstandigheden heeft ervaren, is erkenning gebonden aan specifieke gebeurtenissen zoals omschreven in de Wet. De Raad concludeerde dat het bestreden besluit terecht in stand blijft.
Uitkomst: Het beroep wordt ongegrond verklaard omdat appellant onvoldoende heeft aangetoond dat hij is getroffen door oorlogsgeweld zoals vereist door de Wet.