ECLI:NL:CRVB:2007:AZ7593

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
18 januari 2007
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
06-1909 WUBO
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • G.L.M.J. Stevens
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:75 AwbArt. 61 lid 3 Wet uitkeringen burger-oorlogsslachtoffers 1940-1945
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Herhaalde weigering herziening WUBO-uitkering wegens gebrek aan nieuwe feiten

Appellant heeft beroep ingesteld tegen het besluit van de Raadskamer WUBO om zijn verzoek om herziening van de afwijzing van een WUBO-uitkering te weigeren. Dit verzoek was gebaseerd op nieuwe getuigenverklaringen en een nadere verklaring over seksueel misbruik door Japanse militairen.

De Raad overwoog dat de nieuwe verklaringen geen nieuwe feiten of omstandigheden bevatten die aanleiding geven tot herziening, aangezien deze geen betrekking hebben op calamiteiten in de zin van de Wet uitkeringen burger-oorlogsslachtoffers 1940-1945. Bovendien was de aanvullende verklaring van appellant niet met bewijsmiddelen onderbouwd.

Gezien de discretionaire bevoegdheid van verweerster en de terughoudende toetsing door de Raad, werd het beroep ongegrond verklaard. Er was geen grond voor vernietiging van het bestreden besluit, en er werd geen vergoeding van proceskosten toegekend.

Uitkomst: Het beroep tegen de herhaalde weigering van herziening van de WUBO-uitkering wordt ongegrond verklaard.

Uitspraak

06/1909 WUBO
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellant], wonende te [woonplaats]hierna: appellant),
en
de Raadskamer WUBO van de Pensioen- en Uitkeringsraad (hierna: verweerster)
Datum uitspraak: 18 januari 2007
I. PROCESVERLOOP
Appellant heeft beroep ingesteld tegen het onder dagtekening 28 februari 2006, kenmerk JZ/K60/2006, door verweerster genomen besluit ter uitvoering van de Wet uitkeringen burger-oorlogsslachtoffers 1940-1945 (hierna: de Wet).
Verweerster heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 7 december 2006. Aldaar is appellant in persoon verschenen, terwijl verweerster zich heeft doen vertegenwoordigen door A.T.M. Vroom-van Berckel, werkzaam bij de Pensioen- en Uitkeringsraad.
II. OVERWEGINGEN
De Raad verwijst vooreerst naar zijn eerdere tussen partijen gewezen uitspraak van
7 oktober 2004, nr. 03/5198 WUBO, waarbij ongegrond is verklaard het beroep van appellant tegen de afwijzing van zijn (herhaald) verzoek om herziening van de rechtens onaantastbaar geworden afwijzing van zijn aanvraag van december 1996 om erkenning als burger-oorlogsslachtoffer in de zin van de Wet.
In november 2005 heeft appellant zich wederom gewend tot verweerster met een verzoek om de laatstgenoemde afwijzing te herzien. Ter ondersteuning hiervan heeft appellant een tweetal nieuwe getuigenverklaringen overgelegd.
Verweerster heeft dit verzoek afgewezen bij besluit van 30 december 2005, op de grond dat appellant geen nieuwe feiten of omstandigheden naar voren heeft gebracht nu de ingebrachte getuigenverklaringen geen betrekking hebben op calamiteiten in de zin van de Wet, zodat ook nu geen aanleiding bestaat tot herziening van de afwijzing van de eerdere aanvraag van december 1996.
In bezwaar tegen dit besluit heeft appellant in het bijzonder naar voren gebracht dat, anders dan eerder is verklaard, ook hijzelf en zijn broers - naast al vermeld seksueel misbruik van zijn moeder - slachtoffer zijn geweest van seksueel misbruik door Japanse militairen.
Bij het bestreden besluit heeft verweerster het bezwaar ongegrond verklaard. Daartoe is overwogen - kort samengevat - dat niet alsnog aannemelijk is gemaakt dat appellant is getroffen door oorlogsgeweld in de zin van de Wet.
In beroep heeft appellant er met nadruk op gewezen, dat hij pas nu ervoor durft uit te komen dat ook hijzelf seksueel is misbruikt en dat hij daarvan ernstige psychische klachten ondervindt.
De Raad overweegt het volgende.
De hiervoor genoemde aanvraag van november 2005 draagt, naar verweerster terecht heeft vastgesteld, eveneens het karakter van een verzoek om herziening van de afwijzing door verweerster van de eerdere aanvraag van december 1996.
Ingevolge artikel 61, derde lid, van de Wet is verweerster bevoegd op daartoe door de belanghebbende gedane aanvraag een door haar gegeven besluit in het voordeel van de bij dat besluit betrokkene te herzien. Deze bevoegdheid is van discretionaire aard, hetgeen betekent dat verweerster bij de beoordeling daarvan een ruime beleidsvrijheid toekomt.
Dat brengt mee dat de Raad een dergelijk besluit slechts terughoudend kan toetsen. Deze toetsing is hier temeer terughoudend omdat het gaat om een herhaald verzoek om herziening.
In dit geval acht de Raad van doorslaggevend gewicht dat appellant zijn nadere, van eerdere verklaringen afwijkende, verklaring dat ook hijzelf en zijn broers seksueel zijn misbruikt niet met enig bewijsmiddel heeft onderbouwd. Verder is van belang dat de aan het huidige verzoek om herziening ten grondslag gelegde getuigenverklaringen geen ander licht werpen op eerder al gestelde en beoordeelde gebeurtenissen.
Onder deze omstandigheden kan niet worden gezegd dat verweerster niet in redelijkheid heeft kunnen komen tot haar besluit om niet tot herziening over te gaan.
Ook overigens is, gelet op hetgeen in beroep is aangevoerd, niet kunnen blijken dat verweerster een besluit heeft genomen dat de bovenomschreven terughoudende toetsing van de Raad niet kan doorstaan.
Voor vernietiging van het bestreden besluit bestaat derhalve geen grond.
De Raad acht, ten slotte, geen termen aanwezig om toepassing te geven aan het bepaalde in artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht inzake een vergoeding van proceskosten.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door G.L.M.J. Stevens. De beslissing is, in tegenwoordigheid van J.P. Schieveen als griffier, uitgesproken in het openbaar op 18 januari 2007.
(get.) G.L.M.J. Stevens.
(get.) J.P. Schieveen.