ECLI:NL:CRVB:2007:AZ7595
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Vernietiging besluit correctie- en boetenota’s werkgeversfraude wegens onrechtmatige brutering loon
Appellant maakte bezwaar tegen correctie- en boetenota’s van het UWV over de jaren 2000 tot en met 2003, gebaseerd op een rapport werkgeversfraude na een anonieme melding dat een arbeidsongeschikte betrokkene werkzaamheden verrichtte. Het UWV stelde vast dat betrokkene vanaf september 2002 formeel acht uur per week in dienst was bij appellant, maar dat meer uren werden gewerkt en meer loon werd ontvangen dan verantwoord in de administratie.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond, waarbij het rapport van de looninspecteur werd geaccepteerd ondanks het ontbreken van een volledige loonadministratie en identificatiebewijzen. De Centrale Raad van Beroep oordeelt echter dat het UWV onvoldoende heeft aangetoond dat het loon na de formele indiensttreding gebruteerd mocht worden, omdat geen boekenonderzoek heeft plaatsgevonden en de administratie na die datum wel degelijk aanwezig had kunnen zijn.
De Raad vernietigt daarom het besluit van 21 april 2005 en de aangevallen uitspraak, en beveelt het UWV een nieuw besluit te nemen waarbij ook de vraag van de boeteoplegging in het licht van artikel 12a, eerste lid, CSV opnieuw moet worden bezien. Tevens veroordeelt de Raad het UWV in de proceskosten van appellant en bepaalt dat het griffierecht wordt vergoed.
Uitkomst: Het besluit van het UWV tot correctie- en boetenota’s wordt vernietigd wegens onvoldoende onderbouwing van de brutering van het loon.