ECLI:NL:CRVB:2007:AZ7598
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering arbeidsongeschiktheidsuitkering op grond van inkomenseis
Appellante heeft hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Utrecht die haar beroep ongegrond verklaarde. Het geschil betreft de vaststelling van de ingangsdatum van haar arbeidsongeschiktheid voor het verkrijgen van een uitkering op grond van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten (WAJ).
Appellante stelt dat haar arbeidsongeschiktheid al in 1986 is begonnen, mede vanwege later vastgestelde hartklachten die haar eerdere klachten in dat jaar zouden verklaren. Het UWV heeft echter vastgesteld dat de arbeidsongeschiktheid niet eerder dan 1 januari 1990 is ingetreden, omdat er geen medische gegevens zijn die wijzen op hartfalen of arbeidsongeschiktheid vóór die datum.
De Raad overweegt dat hoewel appellante zich in 1986 ziek meldde met klachten als vermoeidheid en duizeligheid, zij na augustus 1986 hersteld was en geen ziekengeld meer ontving. Medische stukken tonen aan dat zij pas vanaf 1990 onder cardiologische behandeling stond en dat eerdere klachten geen aanwijzing waren voor arbeidsongeschiktheid. Daarom bevestigt de Raad het oordeel van het UWV en de rechtbank dat de arbeidsongeschiktheid niet eerder dan 1990 is aangevangen.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat de arbeidsongeschiktheid van appellante niet eerder dan 1 januari 1990 is aangevangen en wijst het hoger beroep af.