ECLI:NL:CRVB:2007:AZ7610

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
11 januari 2007
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
05-7105 WUV
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • H.R. Geerling-Brouwer
  • G.L.M.J. Stevens
  • C.G. Kasdorp
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 60a Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945Art. 7:15 AwbArt. 8:72 AwbArt. 8:75 AwbWet werk en bijstand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging besluit over onrechtmatige verrekening van bijzondere voorziening met bijstandsuitkering

Appellant, erkend als vervolgde op grond van de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945, kreeg een periodieke uitkering en bijzondere voorzieningen toegekend. Verweerster verrekende deze uitkeringen met bijstandsuitkeringen die appellant ontving. Appellant stelde bezwaar tegen deze verrekening, met name tegen de verrekening van de bijzondere voorziening voor deelname aan het maatschappelijk verkeer (DMV).

De Raad overwoog dat artikel 60a van de Wet verrekening van bijstandsuitkeringen die vóór 1 januari 2004 zijn verleend, toestaat. De bijstandsuitkering en de periodieke uitkering betroffen dezelfde periode en doelen, waardoor verrekening gerechtvaardigd was. Echter, de bijzondere voorziening DMV heeft geen equivalent in de bijstandsuitkering en mocht daarom niet worden verrekend.

De Raad vernietigde het besluit voor zover het de verrekening van de DMV-voorziening betrof, veroordeelde verweerster in de proceskosten en bepaalde dat appellant het griffierecht wordt vergoed. Hiermee werd het beroep van appellant gegrond verklaard.

Uitkomst: Het besluit tot verrekening van de bijzondere voorziening DMV met de bijstandsuitkering wordt vernietigd.

Uitspraak

05/7105 WUV
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant)
en
de Raadskamer WUV van de Pensioen- en Uitkeringsraad (hierna: verweerster).
Datum uitspraak: 11 januari 2007
I. PROCESVERLOOP
Namens appellant is beroep ingesteld tegen het onder dagtekening 30 november 2005, kenmerk JZ/U80/2005, door verweerster genomen besluit ter uitvoering van de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945 (hierna: de Wet).
Verweerster heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 30 november 2006. Aldaar is voor appellant verschenen mr. J.C.M. van Berkel, advocaat te Heerlen, terwijl verweerster zich heeft doen vertegenwoordigen door mr. C. Vooijs, werkzaam bij de Pensioen- en Uitkeringsraad.
II. OVERWEGINGEN
Blijkens de gedingstukken is appellant, geboren in 1944, bij besluit van 20 augustus 2002 erkend als vervolgde in de zin van de Wet. Hierbij is aanvaard dat de psychische klachten van appellant in het door de Wet vereiste verband staan met de ondergane vervolging; een zodanig verband is niet aangenomen voor de long-, rug-, nier- en andere urologische klachten van appellant.
Voorts zijn aan appellant ingaande 1 juli 2001 op grond van de Wet toegekend een periodieke uitkering en, bij wijze van bijzondere voorziening, een vergoeding van de kosten van extra huishoudelijke hulp; ingaande 1 januari 2002 is nog als bijzondere voorziening toegekend een tegemoetkoming in de kosten van deelname aan het maatschappelijk verkeer (DMV).
Bij berekeningsbeschikking van 30 juni 2005 en het daarbij behorende nader bericht van 21 juni 2005 zijn de appellant over de jaren 2001 tot en met 2004 toekomende bedragen aan periodieke uitkering en bijzondere voorzieningen definitief vastgesteld. Voorts is aangegeven dat de hierbij becijferde netto-nabetaling aan periodieke uitkering en voorziening DMV ad € 23.464,45 is verrekend met de bruto bijstandsuitkeringen ad € 22.741,90 die appellant van de voormalige gemeente Echt, thans: Echt-Susteren, heeft ontvangen over de periode van 1 juli 2001 tot 1 december 2002.
Het tegen genoemde verrekening namens appellant ingediende bezwaar heeft verweerster bij het nu bestreden besluit ongegrond verklaard.
In beroep tegen dit laatste besluit heeft appellant, evenals in bezwaar, doen aanvoeren - kort samengevat - dat de Wet verweerster niet de bevoegdheid geeft om over te gaan tot verrekening van zijn periodieke uitkering met (het deel van) de bijstandsuitkering die ten behoeve van zijn toenmalige partner is verstrekt, alsmede dat ten onrechte het na te betalen bedrag ad € 1.760,44 van de hem toekomende voorziening DMV bij de verrekening is betrokken.
De Raad overweegt dienaangaande als volgt.
Ingevolge artikel 60a van de Wet wordt, indien de uitkeringsgerechtigde in afwachting van de toekenning van een uitkering, vergoeding of tegemoetkoming ingevolge de Wet door burgemeester en wethouders een uitkering is verleend krachtens de Wet werk en bijstand, de uitkering, vergoeding of tegemoetkoming ingevolge de Wet verminderd met de kosten van bijstand, welke voor overeenkomstige voorzieningen zijn gemaakt over dezelfde periode waarover de uitkering, vergoeding of tegemoetkoming wordt verleend, terwijl de som, welke in mindering wordt gebracht, wordt uitbetaald aan de betrokken gemeente.
Hierbij is nog van belang dat de Wet werk en bijstand ingaande 1 januari 2004 in de plaats is getreden van de voorheen geldende Algemene bijstandswet en dat in verband hiermee bij wet van 9 oktober 2003, Stb. 2003, 376, de woorden “Algemene bijstandswet” in het toenmalige artikel 60a van de Wet ingaande genoemde datum zijn gewijzigd in de woorden “Wet werk en bijstand”, zoals op overeenkomstige wijze per 1 januari 1996 de woorden “Algemene Bijstandswet” zijn vervangen door “Algemene bijstandswet”.
Voor de Raad is evident dat artikel 60a van de Wet, zoals luidend ten tijde van het bestreden besluit, aldus moet worden uitgelegd dat onder die verrekeningsverplichting ook vallen bijstandsuitkeringen die vóór 1 januari 2004 zijn verleend op grond van de Algemene bijstandswet.
Verder blijkt uit de gedingstukken dat de bijstandsuitkering en de periodieke uitkering ingevolge de Wet betrekking hebben op dezelfde periode en voor dezelfde doeleinden zijn verstrekt, te weten als voorziening in de algemene kosten van het bestaan, uitgaande van een gezinssituatie. De bijstandsuitkering is aan appellant verstrekt als gezinsbijstand, en de periodieke uitkering ingevolge de Wet is berekend naar een (hoger) uitkeringsper-centage van 85%, op grond van de artikelen 10, eerste lid onder a, en 1a, tweede lid,van de Wet geldend voor gehuwden en degenen die duurzaam een gezamenlijke huishouding voeren.
Daarmee staat ook voor de Raad vast dat het hier gaat om overeenkomstige uitkeringen, die op grond van artikel 60a van de Wet voor verrekening in aanmerking komen. Uit het voorgaande volgt tevens dat hieraan niet kan afdoen de namens appellant aangevoerde omstandigheid dat een deel van de bijstandsuitkering geacht moet worden ten goede te zijn gekomen aan zijn partner.
Anders oordeelt de Raad evenwel over het bij de verrekening (deels) betrekken van de aan appellant ingevolge de Wet toekomende voorziening DMV. Naar ook verweerster, blijkens de stukken en het verhandelde ter zitting, al had onderkend betreft het hier een voorziening die geen equivalent heeft in de verleende bijstandsuitkering. Verrekening van deze voorziening met de verleende bijstandsuitkering is derhalve wettelijk niet mogelijk. Dat met het achterwege laten van deze verrekening naar de mening van verweerster ook voor appellant geen materieel belang is gediend, maakt dit niet anders. Het bestreden besluit komt in dit opzicht dan ook voor vernietiging in aanmerking.
De Raad ziet voorts aanleiding om, met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), ook het hieraan ten grondslag liggende primaire besluit in zoverre te vernietigen.
De Raad veroordeelt verweerster ten slotte - mede in aanmerking genomen dat namens appellant in bezwaar een beroep is gedaan op het bepaalde in artikel 7:15, tweede lid, van de Awb - met toepassing van artikel 8:75 van Pro de Awb in de kosten van appellant in bezwaar en in beroep tot een bedrag van € 1.288,-- (2 x € 644,--) als kosten van juridische bijstand.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Verklaart het beroep gegrond;
Vernietigt het bestreden besluit en het daaraan ten grondslag liggende primaire besluit, voorzover deze besluiten betreffen de verrekening van de appellant toekomende voorziening DMV met de hem door de voormalige gemeente Echt verstrekte bijstandsuitkering;
Veroordeelt verweerster in de proceskosten van appellant tot een bedrag van € 1.288,--, te betalen door de Pensioen- en Uitkeringsraad;
Bepaalt dat de Pensioen- en Uitkeringsraad aan appellant het door hem betaalde griffierecht van € 35,-- vergoedt.
Deze uitspraak is gedaan door H.R. Geerling-Brouwer als voorzitter en G.L.M.J. Stevens en C.G. Kasdorp als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van J.P. Schieveen als griffier, uitgesproken in het openbaar op 11 januari 2007.
(get.) H.R. Geerling-Brouwer.
(get.) J.P. Schieveen.
HD
12.12