ECLI:NL:CRVB:2007:AZ7629
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- G.P.A.M. Garvelink-Jonkers
- K.J. Kraan
- A.A.M. Mollee
- Rechtspraak.nl
Bevestiging terugvordering teveel betaalde werkloosheidsuitkering na beëindiging recht
Appellant ontving na een tijdelijke aanstelling bij de Immigratie en Naturalisatiedienst een werkloosheidsuitkering op grond van de Uitkeringsregeling 1966. Na beëindiging van het recht op uitkering in april 2003 ontving appellant nog betalingen over oktober tot en met december 2003. De minister herzag de terugvordering en bepaalde het terug te vorderen bedrag op €4.041,53.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, stellende dat appellant na 22 oktober 2003 redelijkerwijs had moeten begrijpen dat het recht op uitkering was geëindigd en dat hij onverschuldigd betalingen had ontvangen. Appellant voerde in hoger beroep aan dat telefonisch contact via zijn broer met het UWV had plaatsgevonden en dat nog werd nagegaan of hij aanspraak had op een andere uitkering.
De Raad oordeelde dat het bestuursorgaan bevoegd is tot terugvordering van onverschuldigde betalingen binnen twee jaar na uitbetaling, tenzij andere rechtsbeginselen zich verzetten. Gezien de omstandigheden en verklaringen, waaronder die van appellants broer, moest appellant redelijkerwijs beseffen dat het recht op uitkering was geëindigd en dat de latere betalingen onterecht waren. De Raad bevestigde daarom de aangevallen uitspraak en wees een vergoeding van proceskosten af.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de terugvordering van €4.041,53 wegens teveel betaalde werkloosheidsuitkering.