ECLI:NL:CRVB:2007:AZ7636

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
11 januari 2007
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
05-5829 AW
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • G.P.A.M. Garvelink-Jonkers
  • K. Zeilemaker
  • L.J.A. Damen
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2 Verplaatsingskostenbesluit 1989Art. 3 Verplaatsingskostenbesluit 1989Art. 8:75 Algemene wet bestuursrechtArt. 69 Algemeen Rijksambtenarenreglement
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Weigering vergoeding verplaatsingskosten bij tijdelijke tewerkstelling in kader re-integratie

Appellante was werkzaam bij het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) te Voorburg en werd in het kader van een reorganisatie en haar re-integratie tijdelijk overgeplaatst naar het CBS te Heerlen. Deze tijdelijke tewerkstelling had als doel haar weer in het arbeidsproces te betrekken en te beoordelen onder welke voorwaarden zij definitief benoemd kon worden in Heerlen. Appellante verzocht om vergoeding van de kosten die zij maakte door deze verplaatsing, waaronder inrichtingskosten van een appartement en reiskosten voor het bezoeken van haar kinderen.

De directeur van het CBS weigerde de gevraagde vergoeding omdat volgens hem geen sprake was van een verplaatsing in de zin van het Verplaatsingskostenbesluit 1989, omdat de tewerkstelling niet in opdracht van het bevoegd gezag tot verandering van standplaats was. Wel werd een bedrag van € 1.000,- toegekend op grond van billijkheid.

De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, maar de Centrale Raad van Beroep oordeelde dat de tijdelijke tewerkstelling in Heerlen wel degelijk een verplaatsing in opdracht van het bevoegd gezag betrof. De Raad vernietigde daarom het besluit voor zover het de weigering van vergoeding betrof en bepaalde dat de directeur een nieuw besluit op bezwaar moet nemen, waarbij rekening moet worden gehouden met de tijdelijkheid van de verplaatsing en de toepasselijke regelingen.

De Raad bevestigde de billijke vergoeding van € 1.000,- en bepaalde dat de Staat de betaalde griffierechten aan appellante moet vergoeden. De uitspraak werd gedaan door de meervoudige kamer op 11 januari 2007.

Uitkomst: Het besluit tot weigering van vergoeding van verplaatsingskosten wordt vernietigd en de directeur moet een nieuw besluit nemen; de billijke vergoeding van € 1.000,- blijft gehandhaafd.

Uitspraak

05/5829 AW
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[appellante] wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),
tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 9 augustus 2005, 04/3552 AW (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellante
en
de Directeur-Generaal van het Centraal Bureau voor de Statistiek (hierna: directeur)
Datum uitspraak: 11 januari 2007
I. PROCESVERLOOP
Appellante heeft hoger beroep ingesteld.
De directeur heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 30 november 2006. Appellante is vertegenwoordigd door mr. S.G. Volbeda, advocaat te Arnhem. De directeur heeft zich laten vertegenwoordigen door drs. J.M.F. Thomas en mr. M.J.T. van der Poel, beiden werkzaam bij het Centraal Bureau voor de Statistiek.
II. OVERWEGINGEN
1. Op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting gaat de Raad uit van de volgende feiten en omstandigheden.
1.1. Appellante was werkzaam bij het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) te Voorburg als productiebegeleider. In verband met een reorganisatie in 2000 (de zogeheten kanteling) was haar functie aangemerkt als verdwijnfunctie. Appellante was destijds arbeidsongeschikt wegens werkgerelateerde klachten. In het kader van haar re-integratie is appellante in onderling overleg in november 2000 op tijdelijke basis overgeplaatst naar het CBS te Heerlen. Doel was appellante weer in het arbeidsproces te betrekken en vast te stellen onder welke voorwaarden zij definitief kon worden benoemd in een functie te Heerlen. Deze tewerkstelling is verschillende malen verlengd, uiteindelijk tot 1 oktober 2002. Aangezien er geen passende werkzaamheden meer voorhanden waren, diende appellante zich weer te richten op een functievervulling te Voorburg, waar via een herplaatsingsprocedure een definitieve tewerkstelling moest worden gerealiseerd. Dit is uiteindelijk gelukt.
1.2. Bij brief van 16 april 2003 heeft appellante verzocht om vergoeding van de onkosten die zij ten gevolge van haar tewerkstelling in Heerlen heeft gemaakt. De kosten hebben betrekking op de inrichting van een appartement, op het wekelijks bezoeken van haar kinderen in [woonplaats] en op de verhuizing terug naar Zoetermeer. Dit verzoek is afgewezen bij besluit van 27 juni 2003. Dat besluit is bij de beslissing op bezwaar van
9 juli 2004 gehandhaafd, met dien verstande dat de directeur alsnog aan appellante een vergoeding naar billijkheid heeft toegekend op basis van artikel 69 van Pro het Algemeen Rijksambtenarenreglement (ARAR). De vergoeding bedroeg € 1.000,-. Appellante heeft hiertegen beroep ingesteld.
2. De rechtbank heeft het tegen het bestreden besluit ingestelde beroep ongegrond verklaard.
3. De weigering om de gevraagde vergoeding toe te kennen berust op de overweging dat in het geval van appellante geen sprake is van een verplaatsing in de zin van artikel 3, eerste lid, in verbinding met artikel 2, eerste lid, aanhef en onder j, van het Verplaatsings-kostenbesluit 1989, nu aan haar tewerkstelling in Heerlen geen opdracht van het bevoegd gezag tot verandering van standplaats ten grondslag ligt. Derhalve ontbreekt een grond voor vergoeding van de aangevoerde kosten. Het onverplichte bedrag van € 1.000,- is uit billijkheidsoverwegingen toegekend en dient ter vergoeding van de inrichtingskosten van het appartement - waarvan ook de huur reeds werd vergoed - en van de reiskosten voor het bezoeken van de kinderen van appellante op basis van de kosten van openbaar vervoer. Appellante heeft echter betoogd dat zij wel degelijk in opdracht van het bevoegd gezag is verplaatst en niet met het openbaar vervoer kon reizen.
4. De Raad overweegt als volgt.
4.1. De Raad leidt uit de stukken af dat appellante in november 2000 is tewerkgesteld in Heerlen bij wijze van re-integratie, omdat zij wegens samenwerkingsproblemen op het werk in Voorburg beter niet aldaar kon trachten het werk te hervatten. Voorts kan worden vastgesteld dat appellantes functie in Voorburg was komen te vervallen. Doel van het
re-integratieplan was blijkens de stukken ook om bij een succesvolle re-integratie vast te stellen of en onder welke voorwaarden betreffende opleiding en begeleiding, appellante definitief kon worden benoemd in de functie van werkbegeleider te Heerlen. Gelet hierop moet appellantes tijdelijke tewerkstelling in Heerlen naar het oordeel van de Raad tevens worden gezien als een herplaatsingspoging in het kader van de reorganisatie. Hoewel een en ander - vanzelfsprekend - in overleg met appellante is geschied, kan naar het oordeel van de Raad niet anders worden geconcludeerd dan dat hier sprake is van een verplaatsing als omschreven in artikel 2, eerste lid, aanhef en onder j, van het Verplaatsingskosten-besluit in opdracht van het bevoegd gezag. Het besluit van 21 februari 2001 met als onderwerp “detachering” moet op één lijn worden gesteld met een besluit tot tijdelijke plaatsing van appellante in de functie van werkvoorbereider.
4.2. Gelet hierop berust de weigering appellante in aanmerking te brengen voor de gevraagde vergoeding niet op juiste gronden. De directeur zal alsnog moeten bezien of appellante gegeven de tijdelijkheid van haar verplaatsing in aanmerking komt voor vergoeding van de gevraagde kosten op basis van het Reisbesluit Binnenland en het Verplaatsingskostenbesluit 1989, waarin naar het de Raad voorkomt, ook een voorziening is getroffen voor een verplaatsing van tijdelijke aard.
Dit betekent dat de aangevallen uitspraak, waarbij het bestreden besluit in stand is gelaten, in zoverre voor vernietiging in aanmerking komt.
4.3. Wat betreft de toekenning van € 1.000,- op grond van billijkheid welke de directeur bij het ontbreken van een aanspraak op de gevraagde vergoeding coulance-halve heeft vastgesteld, sluit de Raad zich aan bij hetgeen de rechtbank hierover heeft overwogen. Gegeven het feit dat het hier om een discretionaire bevoegdheid gaat met de daarbij behorende terughoudende toetsing door de rechter, ziet ook de Raad in het door appellante aangevoerde geen aanknopingspunt voor het oordeel dat die vergoeding niet in redelijkheid kon worden vastgesteld op € 1.000,-.
4.4. Het vorenstaande leidt ertoe dat de directeur een nieuw besluit op bezwaar moet nemen met inachtneming van deze uitspraak voor wat betreft de weigering de gevraagde kosten te vergoeden. Voor het overige wordt de aangevallen uitspraak bevestigd. De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht inzake vergoeding van proceskosten.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Vernietigt de aangevallen uitspraak voor zover betrekking hebbend op de weigering appellante in aanmerking te brengen voor vergoeding van de gemaakte kosten;
Verklaart het beroep tegen het besluit van 9 juli 2004 in zoverre gegrond en vernietigt dat besluit in zoverre;
Bepaalt dat de directeur een nieuw besluit op bezwaar neemt met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen;
Bevestigt de aangevallen uitspraak voorzover deze betrekking heeft op de toekenning van € 1.000,- op billijkheidsgronden;
Bepaalt dat de Staat der Nederlanden aan appellante het in eerste aanleg en in hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 343,- vergoedt.
Deze uitspraak is gedaan door G.P.A.M. Garvelink-Jonkers als voorzitter en
K. Zeilemaker en L.J.A. Damen als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van W.M. Szabo als griffier, uitgesproken in het openbaar op 11 januari 2007.
(get.) G.P.A.M. Garvelink-Jonkers.
(get.) W.M. Szabo.