ECLI:NL:CRVB:2007:AZ7874
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- C.W.J. Schoor
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking WAO-uitkering wegens onvoldoende medische onderbouwing arbeidsongeschiktheid
Appellant, voormalig chauffeur, kreeg vanaf 8 mei 2001 een WAO-uitkering wegens een arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. Het UWV besloot de uitkering per 8 oktober 2003 in te trekken na een herbeoordeling door verzekeringsarts Stout en arbeidsdeskundige Matton, die concludeerden dat appellant geschikt was voor gangbaar werk met minder dan 15% verlies aan verdiencapaciteit.
Appellant voerde bezwaar aan met het argument dat zijn medische situatie ongewijzigd was en dat hij vaker jichtaanvallen had dan erkend. De bezwaarverzekeringsarts Admiraal concludeerde echter dat de psychische klachten deels in remissie waren en de jichtaanvallen niet zodanig frequent of langdurig dat volledige arbeidsongeschiktheid gerechtvaardigd was.
De rechtbank Utrecht verklaarde het beroep van appellant ongegrond en de Centrale Raad van Beroep bevestigde dit oordeel in hoger beroep. De Raad vond geen aanleiding om af te wijken van de medische beoordeling en oordeelde dat het vertrouwensbeginsel niet van toepassing was. Het hoger beroep werd verworpen en de intrekking van de WAO-uitkering gehandhaafd.
Uitkomst: De intrekking van de WAO-uitkering wordt bevestigd en het hoger beroep van appellant wordt verworpen.