Art. 10 CSVArt. 13, derde lid LABArt. 10, tweede lid ToepassingsbesluitArt. 15 ToepassingsbesluitCoördinatiewet Sociale Verzekering
AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Bevestiging boete wegens overtreding 5%-regeling door PinkRoccade Infrastructure Services
PinkRoccade Infrastructure Services B.V. stelde hoger beroep in tegen een boetebesluit van het UWV wegens overtreding van de 5%-regeling over het jaar 2002. Het UWV had een boete van €203.402 opgelegd, gebaseerd op de stelling dat sprake was van opzet of grove schuld en dat het de derde overtreding binnen vijf jaar betrof.
De rechtbank Amsterdam verklaarde het beroep van PinkRoccade ongegrond. In hoger beroep herhaalde PinkRoccade haar standpunten dat er geen opzet of grove schuld was, dat zij een Melding Sociale Verzekering had gedaan en dat de boete niet in verhouding stond tot het rentenadeel van het UWV.
De Centrale Raad van Beroep stelde vast dat de 5%-regeling over meerdere jaren was overtreden en dat PinkRoccade niet tijdig de verplichte mededeling had gedaan. De Raad volgde de berekening van het UWV dat het verschil in premieloon 17,15% bedroeg, wat de boete van 37,5% rechtvaardigt. De Raad vond geen reden tot matiging en bevestigde de boete. Een proceskostenveroordeling werd niet opgelegd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de boete van 37,5% wegens herhaalde overtreding van de 5%-regeling en wijst het hoger beroep af.
Uitspraak
06/3240 CSV
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
PinkRoccade Infrastructure Services B.V., gevestigd te Amsterdam (hierna: appellante),
tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 26 april 2006, 04/4404 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen
appellante
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsorgaan werknemersverzekeringen, (hierna: Uwv).
Datum uitspraak: 25 januari 2007.
I. PROCESVERLOOP
Namens appellante is hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 4 januari 2007. Appellant heeft zich doen vertegenwoordigen door A. Landman, plaatsvervangend manager financiële administratie, bijgestaan door mr. A.A. Roes, werkzaam bij PricewaterhouseCoopers Belastingadviseurs N.V., als gemachtigde. Het Uwv is na voorafgaand schriftelijk bericht niet verschenen.
II. OVERWEGINGEN
De Raad stelt voorop dat het in dit geding aan de orde zijnde geschil wordt beoordeeld aan de hand van de Coördinatiewet Sociale Verzekering (CSV) en de daarop rustende bepalingen, zoals die luidden ten tijde in geding.
Bij besluit van 28 november 2003 heeft het Uwv aan appellante een boete over het jaar 2002 op gelegd op de grond dat zij de zogenoemde 5%-regeling heeft overschreden. Het Uwv heeft zich daarbij op het standpunt gesteld dat de overtreding te wijten is aan opzet of grove schuld. Omdat volgens het Uwv tevens sprake is van een derde overtreding, heeft het Uwv de boete vastgesteld op € 203.402,--, zijnde 37,5% van de verschuldigde premie. Het tegen het besluit van 28 november 2003 gemaakte bezwaar heeft het Uwv bij besluit van 16 augustus 2004 ongegrond verklaard.
Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellante tegen het besluit van 16 augustus 2004 ongegrond verklaard. De rechtbank is van oordeel dat appellante niet tijdig een mededeling ingevolge de 5%-regeling heeft gedaan, dat appellante ter zake gedurende een periode van vijf jaar ten minste driemaal in verzuim is geweest en dat de overtreding aan opzet of grove schuld van appellante is te wijten.
In hoger beroep heeft appellante herhaald haar grieven dat zij niet de intentie had het Uwv te benadelen, dat appellante feitelijk ook niet is benadeeld en dat de opgelegde boete niet in verhouding staat tot het rentenadeel dat het Uwv lijdt. Voorts is er naar de mening van appellante geen sprake van opzet of grove schuld aangezien appellante een Melding Sociale Verzekering (hierna: MSV) heeft gedaan.
De Raad overweegt als volgt.
Op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting stelt de Raad vast dat over de jaren 1999, 2000, 2001 en 2002 de 5%-regeling is overtreden. De Raad merkt daarbij op dat het gegeven dat de boete over het jaar 2001 eerst begin 2003 is opgelegd en in verband met de destijds geldende maximale boete neerwaarts is bijgesteld, de beoordeling van het thans aan de orde zijnde geschil niet anders maakt. Voorts stelt de Raad vast dat appellante per 1 januari 2002 is opgericht uit medewerkers van verschillende werkmaatschappijen binnen PinkRoccade N.V. Omdat deze werkmaatschappijen verschillende arbeidsvoorwaarden kenden en een harmonisatie van deze voorwaarden niet mogelijk was, heeft appellante er voor gekozen om drie verschillende aansluitnummers te hanteren ten einde de premieafdrachten te kunnen bewaken en te betalen.
Artikel 10 vanPro de CSV en het Loonadministratiebesluit van 28 december 1987, Stcrt. 1987, 252 (verder te noemen: het LAB), leggen een werkgever een aantal verplichtingen op met betrekking tot de loonadministratie. In artikel 13, derde lid van het LAB, is bepaald dat de werkgever verplicht is uit eigen beweging mededeling te doen van elke verandering in de loonsom gedurende het premiebetalingstijdvak, welke er toe leidt dat het feitelijk verloonde bedrag meer dan 5%, doch ten minste een bedrag van € 2.269,-- hoger is dan het loonbedrag waarop de voorschotnota is gebaseerd. Deze mededeling dient te geschieden binnen drie maanden na bedoelde verandering.
De Raad is van oordeel dat een mededeling in het kader van de 5%-regeling niet is gedaan en dat niet gebleken is van een MSV als bedoeld in artikel 10, tweede lid, van het Besluit toepassing bestuurlijke boeten Coördinatiewet Sociale verzekering 2002 (hierna: het Toepassingsbesluit). Met appellante is de Raad van oordeel dat op de werkgever de verplichting rust tijdig mededeling te doen van een verandering in de loonsom terzake van de 5%-regeling. De Raad kan appellante evenwel niet volgen in haar berekening waaruit blijkt dat overschrijding van het totaal van de premieloonsom 2,44% bedraagt, aangezien appellante bij die berekening niet is uitgegaan van het verschil tussen de premielonen van de voorschotnota en de premielonen van de afrekennota. Onder verwijzing naar de in eerste aanleg door het Uwv gegeven berekening gaat ook de Raad uit van een verschil tussen het premieloon van de voorschotnota en het premieloon van de afrekennota van 17,15%.
Gelet op artikel 10, eerste lid, van het Toepassingsbesluit, waaruit volgt dat de onderwerpelijke overtreding als een vergrijp moet worden gezien, in samenhang met het schema van artikel 15 vanPro het Toepassingsbesluit stelt de Raad vast dat het Toepassingsbesluit voorziet in een boete van 37,5%. De Raad merkt daarbij op dat niet uit het oog mag worden verloren dat appellante in een tijdsbestek van vijf jaar ten minste drie maal de 5%-regeling heeft overtreden. Van appellante had verwacht mogen worden dat zij adequate maatregelen had genomen om herhaling te voorkomen. In de reorganisatie van de onderneming, dan wel in de in dat kader genomen niet succesvol gebleken maatregelen, ziet de Raad geen grond voor een matiging van de in overeenstemming met het Toepassingsbesluit opgelegde boete. De Raad is dan ook van oordeel dat niet kan worden staande gehouden dat de opgelegde boete niet evenredig is met de ernst van de gedraging.
Uit het vorenstaande volgt dat het hoger beroep niet slaagt en de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.
De Raad ziet tot slot geen aanleiding tot een proceskostenveroordeling.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door B.J. van der Net. De beslissing is, in tegenwoordigheid van R.E. Lysen als griffier, uitgesproken in het openbaar op 25 januari 2007.