ECLI:NL:CRVB:2007:AZ7998

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
16 januari 2007
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
04-3290 WAZ
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • C.W.J. Schoor
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:12 AwbArt. 8:75 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging besluit UWV wegens onvoldoende motivering urenbeperking bij arbeidsongeschiktheid zelfstandige

Appellant, een zelfstandig marktkoopman die 60 uur per week werkte, werd wegens een ontsteking van de alvleesklier arbeidsongeschikt verklaard. Het UWV weigerde een WAZ-uitkering omdat appellant minder dan 25% arbeidsongeschikt zou zijn. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond. In hoger beroep stond centraal of het UWV de belastbaarheid van appellant op juiste wijze had vastgesteld, met name of een urenbeperking was meegewogen.

De verzekeringsartsen concludeerden dat appellant beperkt was in zwaardere fysieke arbeid, maar er was onduidelijkheid over een eventuele urenbeperking. De Raad stelde vast dat het rapport van Oudshoorn geen expliciete uitspraak deed over de urenomvang, terwijl bij een maatman van 60 uur per week een urenbeperking van groot belang is voor de resterende verdiencapaciteit.

De Raad oordeelde dat het UWV het besluit onvoldoende had gemotiveerd en dat het bestreden besluit in strijd was met artikel 7:12 Awb Pro. Daarom werd het besluit en de uitspraak van de rechtbank vernietigd en werd het UWV opgedragen een nieuw besluit te nemen. Tevens werd het UWV veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten.

Uitkomst: Het besluit van het UWV wordt vernietigd wegens onvoldoende motivering van de urenbeperking, en het UWV moet een nieuw besluit nemen.

Uitspraak

04/3290 WAZ
Centrale Raad van Beroep
E N K E L V O U D I G E K A M E R
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[appellant] (hierna: appellant),
tegen de uitspraak van de rechtbank Dordrecht van 7 mei 2004, 03/348 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellant
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).
Datum uitspraak: 16 januari 2007
I. PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft mr. J. Wouters, advocaat te Middelburg, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 27 juni 2006. Appellant is in persoon verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door drs. P.M. Klootwijk.
Na de behandeling van het geding ter zitting van de Raad is gebleken dat het onderzoek niet volledig is geweest, in verband waarmee de Raad heeft besloten het onderzoek te heropenen.
Ter voortzetting van het onderzoek heeft de Raad bij brief 3 augustus 2006 aan het Uwv een nadere toelichting gevraagd. Hierop heeft het Uwv op 10 augustus 2006 het rapport van de bezwaarverzekeringsarts T.J.A. Boel van 8 augustus 2006 overgelegd. Op dit rapport heeft de gemachtigde van appellant bij brief van 17 oktober 2006 gereageerd.
Het onderzoek ter zitting heeft andermaal plaatsgevonden op 5 december 2006. Appellant is in persoon verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door drs. P.M. Klootwijk.
II. OVERWEGINGEN
Appellant is op 20 augustus 2000 uitgevallen voor zijn werkzaamheden als zelfstandig marktkoopman stoffen voor 60 uur per week als gevolg van een ontsteking van de alvleesklier.
Bij besluit van 21 mei 2002 heeft het Uwv, na afloop van de wettelijke wachttijd van 52 weken, met ingang van 19 augustus 2001 aan appellant een uitkering ingevolge de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen (WAZ) geweigerd onder de overweging dat appellant minder dan 25% arbeidsongeschikt wordt geacht.
Het tegen voormeld besluit gemaakte bezwaar heeft het Uwv bij besluit van 26 maart 2003, hierna: het bestreden besluit, ongegrond verklaard.
De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit bij de in rubriek I genoemde aangevallen uitspraak ongegrond verklaard.
Het gaat in dit geding om de beantwoording van de vraag of het oordeel van de rechtbank over het bestreden besluit in rechte stand kan houden.
Daarbij staat met name de vraag centraal of de belastbaarheid van appellant op de datum in geding door het Uwv juist is vastgesteld.
De verzekeringsarts C. Oudshoorn heeft appellant op 13 november 2001 onderzocht en in zijn rapport van 14 december 2001 aangegeven dat er voldoende resterende mogelijkheden waren voor passende werkzaamheden. Wel achtte Oudshoorn appellant beperkt voor zwaardere fysieke belasting, hetgeen voor het beroep van appellant wel grote gevolgen zou hebben. Oudshoorn vermeldde voorts te beschikken over informatie van de huisarts van appellant die schreef dat in de herstelperiode van een acute pancreatitis een chronisch vermoeidheidssyndroom was ontstaan. Zijn bevindingen legde Oudshoorn vast in het handgeschreven Fis-formulier van 14 december 2001. De bezwaarverzekeringsarts A.D.C. Huijsmans onderschreef in zijn rapport van 18 december 2002 het onderzoek en de conclusies van Oudshoorn. Daarbij gaf Huijsmans aan dat de afwijkende bevindingen – moeheidservaring – zijn vertaald naar beperkingen ten aanzien van zwaardere fysieke belastingen.
De rechtbank heeft de medische grondslag van het bestreden besluit in de aangevallen uitspraak onderschreven.
De Raad heeft in de hiervoor vermelde brief van 3 augustus 2006 vermeld dat uit de rapporten van Oudshoorn en Huijsmans niet blijkt of appellant op de datum in geding nog in staat werd geacht 60 uur per week te kunnen werken of dat een urenbeperking zou moeten gelden. Ter zake heeft de Raad het Uwv om een nadere motivering gevraagd.
Ter beantwoording van deze vraag is Boel in zijn rapport van 8 augustus 2006 nader ingegaan op de rapporten van Oudshoorn en Huijsmans, alsmede op het in eerste aanleg overgelegde rapport van de bezwaarverzekeringsarts
P. Van Thilo-Nadels van 1 juli 2003, waarin is aangegeven dat er, ondanks dat er in het geval van appellant sprake was van vage, moeilijk te objectiveren klachten, zeer aanzienlijke beperkingen zijn aangenomen. Volgens Boel kan worden gesteld dat deze artsen van oordeel zijn dat de verminderde energetische belastbaarheid van appellant dient te worden vertaald in een beperking voor zwaardere fysieke arbeid en dat er geen urenbeperking aan de orde was.
De Raad stelt vast dat de gemachtigde van het Uwv ter zitting van de Raad op 27 juni 2006 desgevraagd heeft verklaard dat Oudshoorn vermoeidheidsklachten aannemelijk achtte en daarmee rekening hield door het aannemen van fysiekenergetische beperkingen, welke verklaring, naar het de Raad voorkomt, in essentie in lijn ligt met de conclusies van Huijsmans. Mede gelet hierop acht de Raad het zonder nadere motivering onaannemelijk dat appellant, gegeven de op zichzelf niet bestreden aanwezigheid van vermoeidheidsklachten in de herstelfase van zijn ziekte en gegeven de omvang van de maatman van 60 uur per week, enkel met de door Oudshoorn aangegeven energetische beperkingen zou kunnen functioneren in passende, lichte werkzaamheden zonder enige urenbeperking. Dit zou namelijk betekenen dat, zoals ook Boel in zijn rapport aangaf, appellant bij deze omvang van de maatman - 60 uur per week of 12 uur per dag - daadwerkelijk geschikt zou moeten worden geacht voor passend werk in dezelfde urenomvang. Boel gaf niet meer aan dat die medische geschiktheid impliciet is beoordeeld dan wel uit de conclusies valt af te leiden. Bij gebreke van een uitdrukkelijke uitspraak over de urenomvang van de maatman in het rapport van Oudshoorn valt naar het oordeel van de Raad, zeker bij een urenomvang als hier aan de orde, niet enkel op basis van nadere interpretatie van de betreffende rapporten vast te stellen dat zulks al dan niet impliciet is beoordeeld. Ook ter zitting van de Raad op 5 december 2006 kon de gemachtigde van het Uwv desgevraagd geen nadere verklaring of toelichting op dit aspect geven, anders dan dat het Uwv de impliciete vaststelling van Oudshoorn terzake volgt.
Mede gelet op de betekenis van een urenbeperking voor de maximering van de resterende verdiencapaciteit op het maatmaninkomen op grond van de bepalingen van het Schattingsbesluit, zoals dit luidde op de datum in geding, komt de Raad tot de slotsom dat het bestreden besluit is genomen in strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en om die reden moet worden vernietigd. Een zelfde lot treft ook de aangevallen uitspraak. Het Uwv zal een nieuw besluit op bezwaar moeten nemen met inachtneming van hetgeen hiervoor is overwogen.
Gelet op het hiervoor overwogene behoeven de overige grieven van appellant tegen het bestreden besluit geen nadere bespreking meer.
De Raad acht termen aanwezig om op grond van artikel 8:75 van Pro de Awb het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellant. Deze kosten worden begroot op € 644,- voor verleende rechtsbijstand in eerste aanleg en op € 483,- voor verleende rechtsbijstand in hoger beroep, in totaal op € 1.127,-.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Vernietigt de aangevallen uitspraak;
Verklaart het beroep tegen het bestreden besluit gegrond en vernietigt dat besluit;
Bepaalt dat het Uwv een nieuw besluit op bezwaar neemt met inachtneming van deze uitspraak;
Veroordeelt het Uwv in de proceskosten van appellant in eerste aanleg en in hoger beroep tot een bedrag groot € 1.127,-, te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen;
Bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan appellant het betaalde griffierecht van € 133,- vergoedt.
Deze uitspraak is gedaan door C.W.J. Schoor. De beslissing is, in tegenwoordigheid van C.D.A. Bos als griffier, uitgesproken in het openbaar op 16 januari 2007.
(get.) C.W.J. Schoor.
(get.) C.D.A. Bos.