ECLI:NL:CRVB:2007:AZ8108

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
25 januari 2007
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
06-534 WW
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • R.C. Schoemaker
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 4:6 AwbAlgemene wet bestuursrecht
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging afwijzing verzoek tot herziening vaststelling dagloon WW

Appellant verzocht het UWV om terug te komen op het eerder vastgestelde dagloon van €56,96 in het kader van een WW-uitkering, stellende dat een deel van zijn loon ten onrechte als onkostenvergoeding was aangemerkt en niet was meegenomen in de dagloonberekening.

Het UWV wees dit verzoek af omdat er geen nieuwe feiten of veranderde omstandigheden waren die een herziening konden rechtvaardigen. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant tegen deze afwijzing ongegrond.

De Centrale Raad van Beroep oordeelt dat appellant ten tijde van het oorspronkelijke besluit op de hoogte was van de onjuiste loonstrookjes en de constructie van onkostenvergoeding. Hierdoor is er geen sprake van nieuwe feiten of omstandigheden zoals vereist in artikel 4:6 Awb Pro.

Het UWV heeft de bevoegdheid om het verzoek zonder nader onderzoek af te wijzen en de Raad ziet geen reden om aan te nemen dat het UWV onredelijk heeft gehandeld of een rechtsregel heeft geschonden.

De Raad bevestigt daarom de uitspraak van de rechtbank en wijst het hoger beroep af zonder proceskostenveroordeling.

Uitkomst: Het verzoek van appellant om terug te komen op de vaststelling van het dagloon wordt afgewezen en de eerdere uitspraak bevestigd.

Uitspraak

06/534 WW
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[appellant] (hierna: appellant),
tegen de uitspraak van de rechtbank Assen van 15 december 2005, 05/479 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen
appellant
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekering (hierna: Uwv).
Datum uitspraak: 25 januari 2007.
I. PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft mr. M.R.P. Ossentjuk, advocaat te Beilen, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 2 november 2006, waar appellant in persoon is verschenen, bijgestaan door mr. Ossentjuk voornoemd.
Het Uwv heeft zich niet laten vertegenwoordigen.
II. OVERWEGINGEN
Bij besluit van 20 augustus 2003 heeft het Uwv, voorzover nog van belang, aan appellant een uitkering ingevolge de Werkloosheidswet (WW) toegekend naar een dagloon van € 56,96. Dit besluit is in rechte onaantastbaar geworden nu uit de gedingstukken niet is gebleken dat appellant hiertegen bezwaar heeft in gesteld.
Het thans aan de orde zijnde verzoek van appellant van 6 april 2004 strekt ertoe dat het Uwv van dit eerdere besluit terugkomt voor wat betreft de vaststelling van het dagloon.
Bij besluit van 27 december 2004 heeft het Uwv dit verzoek afgewezen. Het bezwaar van appellant tegen voornoemd besluit is bij besluit van 11 april 2005 ongegrond verklaard.
Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het namens appellant tegen laatstgenoemde besluit ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Appellant heeft zich gemotiveerd tegen deze uitspraak gekeerd.
De Raad komt tot de volgende beoordeling.
Overeenkomstig hetgeen voor herhaalde aanvragen is bepaald in artikel 4:6 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb), mag van degene die een bestuursorgaan verzoekt van een eerder ambtshalve genomen besluit terug te komen worden verlangd dat bij dit verzoek nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden worden vermeld die zulk een terugkomen kunnen rechtvaardigen. Wanneer geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden worden vermeld, kan het bestuursorgaan het verzoek zonder nader onderzoek afwijzen onder verwijzing naar zijn eerdere besluit.
Appellant is van mening dat zijn dagloon te laag is vastgesteld. Achteraf is namelijk gebleken dat zijn ex-werkgever een deel van zijn loon via een onrechtmatige constructie aan hem uitkeerde als onkostenvergoeding om zo de belasting te ontlopen en dat deze onkostenvergoedingen ten onrechte voor de berekening van zijn dagloon buiten beschouwing zijn gelaten.
De Raad is met de rechtbank en het Uwv van oordeel dat het hierbij niet gaat om nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden in vorenbedoelde zin, aangezien appellant destijds ten tijde van het primaire besluit tot vaststelling van zijn dagloon in het kader van een uitkering ingevolge de WW op de hoogte was van het feit, dat in ieder geval zijn loonstrookjes niet klopten en dat een gedeelte van de aan hem betaalde bedragen niet als een onkostenvergoeding, maar als (verkapt) loon diende te worden aangemerkt.
Het Uwv was dan ook bevoegd om met overeenkomstige toepassing van artikel 4:6, tweede lid, van de Awb het verzoek af te wijzen en voor de motivering van die beslissing te volstaan met te verwijzen naar het besluit van 20 augustus 2003. Naar het oordeel van de Raad kan niet worden gezegd dat het Uwv niet in redelijkheid van die bevoegdheid gebruik heeft kunnen maken dan wel daarbij anderszins heeft gehandeld in strijd met een geschreven of ongeschreven rechtsregel of met een ander algemeen rechtsbeginsel.
Uit vorenstaande overwegingen volgt dat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.
De Raad acht tot slot geen termen aanwezig voor een proceskostenveroordeling.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door R.C. Schoemaker. De beslissing is, in tegenwoordigheid van R.E. Lysen als griffier, uitgesproken in het openbaar op 25 januari 2007.
(get.) R.C. Schoemaker.
(get.) R.E. Lysen.