ECLI:NL:CRVB:2007:AZ8110

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
25 januari 2007
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
06-5287 ALGEM
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • B.J. van der Net
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3 sociale werknemersverzekeringswetten
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging premiecorrecties wegens privaatrechtelijke dienstbetrekking ondanks ontbreken schriftelijke overeenkomst

In deze zaak stond centraal of de vroegere eigenaar van een eetcafé, [M. Y.], over de jaren 1999 tot en met 2003 loon heeft ontvangen uit een verzekeringsplichtige privaatrechtelijke dienstbetrekking. Appellant stelde dat [M. Y.] slechts als vriendendienst persoonlijke arbeid verrichtte zonder loonbetalingen en zonder schriftelijke overeenkomst.

De rechtbank had op basis van een uitvoerige looncontrole, fraudeonderzoek, getuigenverklaringen en observaties vastgesteld dat [M. Y.] stelselmatig en regelmatig het café runde en arbeid verrichtte waarvoor loon werd ontvangen, hoewel dit niet administratief verantwoord was. De categorische ontkenning van appellant werd als ongeloofwaardig beoordeeld.

De Centrale Raad van Beroep bevestigde de uitspraak van de rechtbank. Het ontbreken van een schriftelijke overeenkomst en administratieve gegevens kon het standpunt van appellant niet ondersteunen. De Raad vond de berekende premiecorrecties op basis van een privaatrechtelijke dienstbetrekking met reguliere beloning zorgvuldig en verantwoord.

De uitspraak benadrukt het belang van feitelijke omstandigheden en bewijsvoering bij het vaststellen van een dienstbetrekking, ook als formele documenten ontbreken.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt verworpen en de premiecorrecties op basis van een privaatrechtelijke dienstbetrekking worden bevestigd.

Uitspraak

06/5287 ALGEM
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[appellant] (hierna: appellant),
tegen de uitspraak van de rechtbank Zwolle-Lelystad van 27 juli 2006, 05/2170 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellant
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna:Uwv).
Datum uitspraak: 25 januari 2007.
I. PROCESVERLOOP
Namens appellant is hoger beroep ingesteld tegen de aangevallen uitspraak.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het geding is behandeld ter zitting van de Raad van 4 januari 2007. Appellant is in persoon verschenen, bijgestaan door zijn fiscaal-juridisch adviseur mr. H. Kompagnie.
Het Uwv heeft zich met bericht niet doen vertegenwoordigen.
II. OVERWEGINGEN
In geding is de vraag of [M. Y.], de vroegere eigenaar van het betreffende eetcafé van appellant, over de jaren 1999 tot en met 2003 loon uit een verzekeringsplichtige privaatrechtelijke dienstbetrekking in de zin van artikel 3 van Pro de sociale werknemersverzekeringswetten heeft ontvangen.
Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank, overeenkomstig de strekking van het bestreden besluit van het Uwv van
24 oktober 2005, op grond van de uit een uitgevoerde looncontrole en uitvoerig fraudeonderzoek naar voren gekomen aanwijzingen met gebruikmaking van verschillende getuigenverklaringen alsmede observaties volledig normaal werken door [M. Y.] tegen loon zonder administratieve verantwoording in de periode aan de orde voldoende aannemelijk geacht. Daarbij heeft de rechtbank de categorische ontkenning van appellant zonder schriftelijke tegenbewijs bij een overigens gebleken niet kloppende loonadministratie als ongeloofwaardig beschouwd en het Uwv te dien aanzien gevolgd in zijn tot premiecorrecties leidende berekeningen.
Namens appellant is dit standpunt in hoger beroep gemotiveerd bestreden onder vermelding dat [M. Y.] op bepaalde momenten nog als een soort vervanger bij wege van een vriendendienst persoonlijke arbeid onder supervisie van appellant heeft verricht zonder dat dit in een schriftelijke overeenkomst is neergelegd, maar ook zonder dat in de betreffende jaren hiertegenover loonbetalingen stonden.
De Raad overweegt als volgt.
Hij heeft uit de in ruime mate in het dossier aanwezige (loonfraude-)onderzoeksgegevens benevens een consistent en betrouwbaar beeld verschaffende getuigenverklaringen van onder meer vele toenmalige werknemers en observaties, in onderling verband bezien, niets anders kunnen afleiden dan dat [M. Y.] in de periode in geding ten behoeve van appellant stelselmatig en regelmatig als een soort nevenbaas, bakker en bedrijfsleider doorlopend het café heeft gerund naar de overige werknemers toe, daardoor duidelijk op geld waardeerbare arbeid heeft verricht en daarvoor naar aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid loon in enigerlei vorm heeft ontvangen zoals die werknemers dat verkregen uit moeilijk traceerbare kasbetalingen, een en ander zonder inzichtelijke controleerbare en verifieerbare administratieve verantwoording. Het gebrek aan adequaat tegenbewijs aan de hand van vereiste administratieve gegevens, met name een niet bijgehouden urenadministratie en onbewaarde werkbriefjes, dan wel het gemis van enig schriftelijk contract kan de appellant in zijn andersluidende standpunt geen concreet houvast voor het tegendeel bieden. De stellingname van appellant zonder elementaire bewijsvoering faalt te meer nu vervanger [M. Y.] als vroeger eigenaar kennelijk metterdaad op gelijke wijze bedrijvig bleef in het café, een vriendendienst zonder betaling daardoor allerminst voetstoots in de rede ligt, en trouwens in bepaalde - latere - jaren weer wel tussen partijen een gedeeltelijk dan wel volledig dienstverband bij analoog opereren is toegegeven.
Onder de gegeven omstandigheden komen de door het Uwv berekende premiecorrecties op basis van een privaatrechtelijke dienstbetrekking met een reguliere beloning op voet van de arbeidsprestatie van [M. Y.], aan de hand van een peilbare, weloverwogen reprsentatieve onderzoeksperiode, over de jaren in geding aan de Raad voldoende zorgvuldig en verantwoord voor.
Het vorenstaande voert tot de slotsom dat het hoger beroep van appellant niet slaagt. Dit betekent dat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.
De Raad ziet voor een proceskostenveroordeling geen aanleiding
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door B.J. van der Net. De beslissing is, in tegenwoordigheid van R.E. Lysen als griffier, uitgesproken in het openbaar op 25 januari 2007.
(get.) B.J. van der Net.
(get.) R.E. Lysen.