ECLI:NL:CRVB:2007:AZ8152
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- J.W. Schuttel
- R.C. Stam
- J. Riphagen
- Rechtspraak.nl
Vernietiging besluit UWV wegens onvoldoende motivering over uitkeringssituatie appellant
Appellant was arbeidsongeschikt en ontving een WAO-uitkering die in 1997 werd herzien en verlaagd. Medio 2002 meldde appellant een toename van arbeidsongeschiktheid door longklachten. Het UWV weigerde de WAO-uitkering te verhogen omdat de longklachten niet samenhingen met eerdere klachten en vermoedelijk pas vanaf 1999 bestonden. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, stellende dat onvoldoende bewijs was dat de longklachten al voor maart 1997 bestonden.
In hoger beroep herhaalde appellant zijn grieven en overhandigde een verklaring van zijn longarts die stelde dat de klachten al voor maart 1997 bestonden. De Raad concludeerde echter dat deze verklaring onvoldoende bewijs was, mede omdat appellant zich voor 1999 niet met longklachten bij artsen had gemeld.
Daarnaast oordeelde de Raad dat het UWV en de rechtbank onduidelijkheid lieten bestaan over de aard en duur van de aanvullende uitkering die appellant na maart 1997 ontving. Hierdoor ontbrak een voldoende draagkrachtige motivering in het bestreden besluit.
De Raad vernietigde het bestreden besluit en de uitspraak van de rechtbank, verklaarde het beroep gegrond en bepaalde dat het UWV een nieuw besluit op bezwaar moet nemen met inachtneming van deze uitspraak. Tevens werd het UWV veroordeeld in de proceskosten en tot vergoeding van het griffierecht.
Uitkomst: Het bestreden besluit van het UWV wordt vernietigd wegens onvoldoende motivering en onduidelijkheid over de uitkeringssituatie van appellant.