ECLI:NL:CRVB:2007:AZ8268
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- D.J. van der Vos
- R.C. Stam
- J. Riphagen
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep tegen weigering en toekenning gedeeltelijke WAO-uitkering
Appellant heeft bezwaar gemaakt tegen de weigering van het UWV om hem een WAO-uitkering toe te kennen na afloop van de wettelijke wachttijd per 20 maart 2003, omdat zijn loonverlies minder dan 15% zou bedragen. Na een eerdere weigering en een uitspraak van de rechtbank die het bezwaar gegrond verklaarde, heeft het UWV op 21 september 2005 alsnog een gedeeltelijke WAO-uitkering toegekend met een arbeidsongeschiktheidspercentage van 55-65%.
Appellant voerde in hoger beroep aan dat bepaalde functies die hem als geschikt werden voorgesteld alleen voor vrouwen toegankelijk zouden zijn, en dat het dagloon en maatmanloon te laag waren vastgesteld. De Raad overweegt dat arbeidsmarktfactoren niet de rol spelen die appellant veronderstelt en dat op grond van de Wet gelijke behandeling van mannen en vrouwen geen belemmering is aan te nemen. Daarnaast heeft appellant onvoldoende bewijs geleverd dat het loon te laag is opgegeven, mede omdat hij de loonstroken stilzwijgend heeft aanvaard.
De Raad verklaart het hoger beroep tegen de eerdere weigering niet-ontvankelijk en het beroep tegen het besluit van 21 september 2005 ongegrond. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. Het hoger beroep slaagt derhalve niet.
Uitkomst: Het hoger beroep tegen het eerdere besluit wordt niet-ontvankelijk verklaard en het beroep tegen het latere besluit tot gedeeltelijke WAO-uitkering wordt ongegrond verklaard.