ECLI:NL:CRVB:2007:AZ8280

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
13 februari 2007
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
04-1855 WAO + 05-5066 WAO
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • K.J.S. Spaas
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:69 AwbArt. 8:75 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging intrekking WAO-uitkering na ziekmelding vanuit WW-situatie

Appellante, werkzaam als groepsleidster, viel in mei 1998 uit met rugklachten en ontving vanaf mei 1999 een WAO-uitkering op basis van 80-100% arbeidsongeschiktheid. Het UWV trok deze uitkering in februari 2002 in, wat door de rechtbank werd bevestigd in 2004. Vervolgens meldde appellante zich in juli 2003 ziek vanuit de WW met klachten gerelateerd aan het Hellp-syndroom en rugklachten.

In oktober 2004 besloot het UWV dat appellante geen recht meer had op WAO-uitkering omdat zij geschikt werd geacht voor gangbaar werk, een besluit dat ook door de rechtbank in juli 2005 werd bevestigd. De Raad overwoog dat de medische adviezen en rapportages van verzekeringsartsen en arbeidsdeskundigen een juiste weergave gaven van haar beperkingen.

Appellante gaf aan dat haar Hellp-syndroom klachten waren verminderd en dat darmklachten pas na de datum in geding waren ontstaan, waardoor deze buiten beschouwing werden gelaten. De Raad vond geen reden om de eerdere besluiten onjuist te achten en wees het hoger beroep af, bevestigde de aangevallen uitspraken en veroordeelde het UWV niet in de proceskosten.

Uitkomst: De intrekking van de WAO-uitkering wordt bevestigd en het hoger beroep van appellante wordt afgewezen.

Uitspraak

04/1855 WAO + 05/5066 WAO
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
U I T S P R A A K
op de hoger beroepen van:
[appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),
tegen de uitspraken van de rechtbank Haarlem van 3 maart 2004, 03-1255 (hierna: aangevallen uitspraak 1) en 5 juli 2005, 05-620 (hierna: aangevallen uitspraak 2),
in de gedingen tussen:
appellante
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).
Datum uitspraak: 13 februari 2007
I. PROCESVERLOOP
Appellante heeft hoger beroep ingesteld tegen de aangevallen uitspraken 1 en 2.
Het Uwv heeft in beide gedingen een verweerschrift uitgebracht.
In verband met de uitspraken van de Raad van 9 november 2004 (o.a. LJN: AR4716) heeft het Uwv inzake de aangevallen uitspraak 2 desgevraagd een rapportage van de bezwaararbeidsdeskundige J.F. van der Woude van 1 maart 2006 overgelegd tezamen met de Kritische Functionele Mogelijkheden Lijst, de arbeidsmogelijkhedenlijst en het resultaat functiebeoordeling.
Het onderzoek ter zitting in beide gedingen heeft -gevoegd- plaatsgevonden op
23 januari 2007. Appellante is in persoon verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. S.J.M.A. Clerx.
II. OVERWEGINGEN
Appellante was werkzaam als groepsleidster toen zij op 7 mei 1998 uitviel met rugklachten. Appellante ontving met ingang van 6 mei 1999 een uitkering op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%.
Bij besluit van 22 januari 2002 heeft het Uwv voor zover hier van belang de uitkering met ingang van 22 februari 2002 ingetrokken, onder de overweging dat appellante niet langer arbeidsongeschikt wordt geacht voor de WAO. Het hiertegen gemaakte bezwaar is bij besluit van 20 juni 2003 (hierna: het bestreden besluit 1) ongegrond verklaard. De rechtbank heeft het beroep van appellante tegen het bestreden besluit 1 bij de aangevallen uitspraak 1 ongegrond verklaard. De rechtbank onderschreef de medische grondslag van het bestreden besluit 1 en oordeelde dat het bestreden besluit, dat berust op de adviezen van de verzekeringsartsen en arbeidsdeskundigen, op goede gronden is genomen.
Appellante heeft zich vervolgens op 24 juli 2003 vanuit de Werkloosheidswet (WW) ziekgemeld met klachten van moeheid, duizeligheid bij Hellp-syndroom en rugklachten. Bij besluit van 4 oktober 2004 heeft het Uwv besloten dat appellante met ingang van
15 juli 2004 geen recht heeft op een WAO-uitkering omdat appellante geschikt geacht wordt voor gangbaar werk. Het hiertegen gemaakte bezwaar is bij besluit van
21 januari 2005 (hierna: het bestreden besluit 2) ongegrond verklaard. De rechtbank heeft het beroep van appellante tegen het bestreden besluit 2 bij de aangevallen uitspraak 2 ongegrond verklaard. De rechtbank oordeelde dat het bestreden besluit dat berust op de adviezen van de verzekeringsartsen en arbeidsdeskundigen op goede gronden is genomen.
Hetgeen namens appellante in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraken naar voren is gebracht, komt in hoofdzaak neer op een herhaling van de reeds bij de rechtbank aangevoerde en in de aangevallen uitspraken besproken grieven.
De Raad kan zich verenigen met het oordeel en de motivering van het oordeel over de bestreden besluiten van de rechtbank. Hij maakt dat oordeel en de motivering ervan tot het zijne.
Aan de Raad is niet kunnen blijken dat het door de bezwaarverzekeringsartsen
A.D.C. Huijsmans en W. Ruitenberg in de rapporten van 29 april 2003 en 5 januari 2005 geaccordeerde belastbaarheidspatroon van appellante geen juiste weergave vormt van de bij haar ten tijde hier in geding bestaande medische beperkingen. De Raad overweegt voorts dat bezwaarverzekeringsarts Huijsmans blijkens de rapportage bij het beoordelen van de belastbaarheid van appellante kennis droeg van de informatie van de behandelend orthopedisch chirurg C.W. de Bruin van 2 maart 1999 en 23 april 2003.
De Raad kan zich tevens verenigen met het oordeel van verzekeringsarts S. Lok, naar aanleiding van appellantes ziekmelding vanuit de WW, die blijkens de rapportage van
2 september 2004 bij het beoordelen van de belastbaarheid van appellante geen aanleiding zag om informatie op te vragen omdat reeds voldoende medische informatie beschikbaar was om tot een zorgvuldige beoordeling te komen. Ook de Raad is van mening dat de reeds beschikbare gegevens voldoende informatie bevatten omtrent de gezondheidstoestand van appellante om tot een verantwoord oordeel te komen.
Ter zitting heeft appellante aangegeven dat haar klachten in verband met het Hellp-syndroom zijn verminderd. Tevens heeft appellante ter zitting aangegeven dat darmklachten zijn ontstaan in november 2004, derhalve na de datum in geding. Deze klachten dienen dan ook naar het oordeel van de Raad buiten beschouwing te worden gelaten.
Ook overigens heeft de Raad, mede in het licht van artikel 8:69 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb), geen aanknopingspunten gezien de bestreden besluiten rechtens voor onjuist te houden. De aangevallen uitspraken dienen derhalve te worden bevestigd.
De Raad acht geen termen aanwezig om op grond van artikel 8:75 van Pro de Awb het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellante.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak 1;
Bevestigt de aangevallen uitspraak 2.
Deze uitspraak is gedaan door K.J.S. Spaas. De beslissing is, in tegenwoordigheid van A.H. Hagendoorn-Huls als griffier, uitgesproken in het openbaar op 13 februari 2007.
(get.) K.J.S. Spaas.
(get.) A.H. Hagendoorn-Huls