ECLI:NL:CRVB:2007:AZ8314

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
26 januari 2007
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
05-109 WAZ
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2 WAZArt. 8:73 AwbArt. 58 WAZ
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging besluit UWV over anticumulatie WAZ-uitkering wegens strijd met rechtszekerheid

Appellant, een zelfstandige met een arbeidsongeschiktheidsuitkering op grond van de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen (WAZ), kreeg zijn uitkering over 2000 door het UWV op nihil gesteld vanwege anticumulatie van inkomsten uit arbeid. Het UWV had het maatmaninkomen aanvankelijk vastgesteld met LEI-indexcijfers, later met CBS-indexcijfers, wat leidde tot een lagere vaststelling van arbeidsongeschiktheid en toepassing van artikel 58 WAZ Pro.

De rechtbank verklaarde het beroep van appellant deels gegrond, maar liet de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand. In hoger beroep oordeelt de Raad dat het gebruik van verschillende maatmaninkomens voor dezelfde periode in strijd is met het systeem van de WAZ en dat het verbinden van terugwerkende kracht aan artikel 58 WAZ Pro in het algemeen strijdig is met het rechtszekerheidsbeginsel.

Hoewel een uitzondering mogelijk is indien betrokkene kennis had kunnen dragen van de gevolgen of onjuiste informatie had verstrekt, is dat hier niet het geval. Appellant mocht niet verwachten dat het UWV een andere berekeningswijze zou hanteren dan bij de vaststelling van arbeidsongeschiktheid. Daarom wordt het bestreden besluit en de aangevallen uitspraak vernietigd en wordt het UWV opgedragen een nieuw besluit op bezwaar te nemen.

De Raad veroordeelt het UWV in de proceskosten van appellant en bepaalt dat het griffierecht wordt vergoed. Over eventuele schadevergoeding kan de Raad nu nog niet oordelen omdat het nieuwe besluit nog moet volgen.

Uitkomst: Het bestreden besluit en de aangevallen uitspraak worden vernietigd en het UWV wordt opgedragen een nieuw besluit op bezwaar te nemen.

Uitspraak

05/109 WAZ
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),
tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Hertogenbosch van 17 november 2004, 03/218 (hierna: de aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellant
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).
Datum uitspraak: 26 januari 2007
I. PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft mr. T.H.M.M. Kusters, medewerker van Stichting Rechtsbijstand, hoger beroep ingesteld tegen de aangevallen uitspraak.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 15 december 2006. Appellant is niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. D.M.G.M.W. Heijnen.
II. OVERWEGINGEN
De Raad gaat uit van de feiten zoals de rechtbank deze, door partijen niet bestreden, heeft vastgesteld. Samengevat komt het er op neer dat het Uwv in verband met de door appellant als gedeeltelijk doorwerkende zelfstandige genoten inkomsten over 2000 de aan appellant toegekende arbeidsongeschiktheidsuitkering op grond van de Wet arbeidsongeschiktheidsuitkering zelfstandigen (WAZ) op nihil heeft gesteld.
Aanvankelijk is het maatmaninkomen van appellant door het Uwv vastgesteld aan de hand van de zogenaamde LEI-indexcijfers. Ook bij het bepalen van de mate van arbeidsongeschiktheid over 2000 is het op die manier berekende maatmaninkomen het uitgangspunt geweest. De arbeidsdeskundige heeft in december 2001 het maatmaninkomen opnieuw berekend met behulp van CBS-indexcijfers en dit in zijn rapportage van 4 juni 2002 vergeleken met de aan appellant over 2000 toe te rekenen bedrijfswinst, waarna hij tot de conclusie is gekomen dat appellant op basis van deze winst in theorie minder dan 25% arbeidsongeschikt geacht zou moeten worden, zodat aanleiding bestond tot anticumulatie van de inkomsten uit arbeid over 2000 met toepassing van artikel 58 van Pro de WAZ.
Bij besluit van 20 december 2002, hierna: het bestreden besluit, heeft het Uwv gehandhaafd zijn eerdere besluit van 16 juli 2002, inhoudende dat de WAZ-uitkering over het jaar 2000 met toepassing van artikel 58 van Pro de WAZ niet tot uitbetaling komt.
Appellant heeft beroep bij de rechtbank ingesteld, waarbij hij onder andere heeft aangevoerd dat het Uwv met deze handelwijze met terugwerkende kracht ten nadele van hem terugkomt van het in 2000 vastgestelde maatmaninkomen. Hij acht dat in strijd met het rechtszekerheidsbeginsel.
De rechtbank heeft het beroep gegrond verklaard in verband met een onderdeel van het besluit van 20 december 2002 dat in hoger beroep niet meer aan de orde is en heeft bepalingen gegeven over vergoeding van proceskosten en betaling van griffierecht; tevens heeft de rechtbank bepaald, dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven.
In hoger beroep keert appellant zich naar het oordeel van de Raad terecht en op goede gronden tegen de beslissing van de rechtbank om de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand te laten. Daartoe verwijst de Raad naar zijn uitspraak van 29 augustus 2006, USZ 2006, 292, waaruit blijkt dat het in strijd met het systeem van de WAZ is om over eenzelfde periode voor de toepassing van artikel 58 van Pro de WAZ een andere maatman te hanteren dan die wordt gehanteerd voor de vaststelling van de mate van arbeidsongeschiktheid op basis van artikel 2 van Pro de WAZ.
Bovendien is het in het algemeen in strijd te achten met het rechtszekerheidsbeginsel om aan de toepassing van artikel 58 van Pro de WAZ terugwerkende kracht te verbinden. Dit beginsel lijdt echter uitzondering indien de betrokkene redelijkerwijs geacht kan worden kennis te dragen van het feit dat de inkomsten van invloed kunnen zijn op het recht op of de hoogte van de arbeidsongeschiktheidsuitkering of het bedrag dat daarvan wordt uitbetaald dan wel indien het ongewijzigd voortzetten van de uitkering (mede) het gevolg is geweest van onjuiste of onvolledige informatieverschaffing door betrokkene. Van dit laatste is in het onderhavige geval geen sprake geweest. Van een in zijn eigen bedrijf doorwerkende zelfstandige die een arbeidsongeschiktheidsuitkering ontvangt, mag worden verwacht dat hij er rekening mee houdt dat het bedrijfsresultaat over een bepaald jaar van invloed kan zijn op het bedrag aan uitkering waarop hij, achteraf bezien, recht heeft. Het is in het onderhavige geval echter niet het achteraf gebleken bedrijfsresultaat geweest dat heeft geleid tot volledige anticumulatie, maar een van de zijde van het Uwv gevolgde andere berekeningswijze van het maatmanloon in het kader van een claim van appellant van toegenomen arbeidsongeschiktheid. Naar het oordeel van de Raad kan niet worden volgehouden dat appellant daarmee redelijkerwijs rekening had moeten houden. De wijze waarop het Uwv de anticumulatie over het jaar 2000 heeft toegepast is daarom in strijd met het rechtszekerheidsbeginsel.
Dit leidt de Raad tot de conclusie dat het bestreden besluit en de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten, voor vernietiging in aanmerking komen.
Appellant heeft op grond van artikel 8:73 van Pro de Algemene wet bestuursrecht verzocht het Uwv te veroordelen in de schade aan zijn kant.
Nu het bestreden besluit wordt vernietigd op grond van gebreken in de totstandkoming ervan en het Uwv een nieuw besluit op bezwaar dient te nemen ligt het thans niet op de weg van de Raad om zich over mogelijke schade uit te spreken omdat nog niet vaststaat hoe het nieuwe besluit zal gaan luiden. Het Uwv zal bij het nemen van een nieuw besluit op bezwaar tevens aandacht moeten besteden aan de vraag in hoeverre er termen zijn om schade te vergoeden.
De Raad ziet aanleiding om het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellant in hoger beroep. Deze kosten worden begroot op € 322,-- voor verleende rechtsbijstand in hoger beroep.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Vernietigt de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten;
Bepaalt dat de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen een nieuw besluit op bezwaar neemt met inachtneming van deze uitspraak;
Veroordeelt de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen in de proceskosten van appellant in hoger beroep tot een bedrag groot € 322,--, te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen;
Bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan appellant het betaalde griffierecht in hoger beroep ad € 102,-- vergoedt.
Deze uitspraak is gedaan door J.W. Schuttel als voorzitter en R.C. Stam en J. Riphagen als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van W.R. de Vries als griffier, uitgesproken in het openbaar op 26 januari 2007.
(get.) J.W. Schuttel.
(get.) W.R. de Vries.