ECLI:NL:CRVB:2007:AZ8568
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- B.J. van der Net
- Rechtspraak.nl
Bevestiging verzekeringsplicht wegens privaatrechtelijke dienstbetrekking en gezagsrelatie
Deze zaak betreft het hoger beroep van appellante tegen een uitspraak van de rechtbank Breda waarin werd vastgesteld dat de werknemer, werkzaam van 17 augustus 1998 tot en met 31 december 2000, onder een privaatrechtelijke dienstbetrekking viel en daarmee verzekeringsplichtig was op grond van sociale werknemersverzekeringswetten.
De rechtbank oordeelde dat er sprake was van een gezagsrelatie, mede gebaseerd op schriftelijke afspraken, evaluatiegesprekken en de mogelijkheid tot contractuele beëindiging. Ook werd meegewogen dat de werknemer een manager in vaste dienst verving, wat de verzekeringsplicht rechtvaardigde.
Appellante voerde in hoger beroep aan dat er slechts beperkte instructiebevoegdheid was en ontkende het bestaan van een fictief dienstverband. De Centrale Raad van Beroep oordeelde echter dat de aard van de werkzaamheden, de continuïteitsvereisten, het honorarium en de feitelijke gezagsrelatie voldoende aannemelijk waren. De Raad bevestigde daarmee de eerdere uitspraak en wees het beroep af.
De Raad zag geen aanleiding voor proceskostenveroordeling en benadrukte dat de feitelijke gezagsrelatie niet ontkend kon worden ondanks de beweerde vrijheid en bekwaamheden van de werknemer.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat de werknemer onder een privaatrechtelijke dienstbetrekking met gezagsrelatie viel en verzekeringsplichtig was.