ECLI:NL:CRVB:2007:AZ8570

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
8 februari 2007
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
05-6507 WAZ
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 58 WAZArt. 8:75 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging korting WAZ-uitkering wegens bijtelling privégebruik auto en inkomensopgave

Appellant, directeur-grootaandeelhouder, ontving een WAZ-uitkering op basis van een arbeidsongeschiktheidspercentage van 65-80%. Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) stelde de uitkering vanaf 1 januari 2002 vast op een lager percentage van 55-65%, gebaseerd op de bijtelling voor privégebruik van de auto van de zaak en het door appellant opgegeven maandloon.

Appellant voerde aan dat de belastingdienst zijn negatieve loon over 2002 had geaccepteerd en dat zijn medische beperkingen hem verhinderden de auto te gebruiken, waardoor zijn arbeidsinkomsten verminderd zouden moeten worden. De Raad oordeelde echter dat appellant het voordeel van privégebruik van de auto fiscaal had aangegeven en dit voordeel dus had genoten. Zijn medische stelling werd niet onderbouwd.

De Raad benadrukte dat het Uwv afhankelijk is van de door appellant verstrekte gegevens, welke in dit geval consistent waren en door appellant niet betwist werden tijdens telefonisch contact. Zelfs rekening houdend met het terug te betalen loon bleef het loon voldoende hoog om de korting op de uitkering te rechtvaardigen.

De aangevallen uitspraak van de rechtbank Breda, die het beroep van appellant ongegrond verklaarde, werd door de Centrale Raad van Beroep bevestigd. Er waren geen gronden voor toepassing van artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht.

De uitspraak werd gedaan door een meervoudige kamer op 8 februari 2007.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de korting op de WAZ-uitkering en verklaart het beroep van appellant ongegrond.

Uitspraak

05/6507 WAZ
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[appellant] (hierna: appellant),
tegen de uitspraak van de rechtbank Breda van 30 september 2005, 05/672, (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellant
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).
Datum uitspraak: 8 februari 2007.
I. PROCESVERLOOP
Namens appellant is hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend, gevolgd door een brief van 18 mei 2006.
Het geding is behandeld ter zitting van de Raad van 23 november 2006. Het Uwv heeft zich doen vertegenwoordigen door
mr. M.W.L. Clemens, werkzaam bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen. Appellant is niet verschenen.
II. OVERWEGINGEN
Appellant is directeur-grootaandeelhouder van een besloten vennootschap. Aan hem is ingaande 13 juli 2001 een uitkering ingevolge de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen (WAZ) toegekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 65-80%.
Appellant heeft op 18 juli 2003 aan gedaagde opgave gedaan van zijn werkzaamheden en inkomsten over 2002. De jaarrekening 2002 is op 24 oktober 2003 aan gedaagde gezonden, evenals de concept-aangifte inkomstenbelasting 2002. Deze stukken laten onder meer een bruto-loon zien van € 49.478,--, alsmede een terug te betalen loonbedrag over 2002 van € 27.000,--. Voorts bevat de concept-aangifte een bedrag van € 14.407,-- in verband met bijtelling ter zake van privé-gebruik van de auto van de zaak.
Op 6 januari 2004 heeft appellant aan gedaagde desverzocht een ‘vragenlijst loongegevens’ gezonden waarin hij onder meer heeft vermeld dat zijn vaste loon in 2002, per maand € 1.789,-- bedroeg. Op basis van dit laatste gegeven, herleid tot jaarloon resulterend in € 21.468,--, verhoogd met de uit de concept-aangifte blijkende bijtelling terzake van de auto van de zaak, heeft de claimbehandelaar, na akkoord van een arbeids-deskundige van gedaagde, de mate van arbeidsongeschiktheid voor de toepassing van de in artikel 58 van Pro de WAZ neergelegde anti-cumulatebepaling, over 2002 berekend op 55-65%, terwijl appellant onveranderd 65-80% arbeidsongeschikt wordt geacht.
Bij besluit van 28 januari 2004 heeft gedaagde aan appellant meegedeeld dat zijn WAZ-uitkering vanaf 1 januari 2002 wordt uitbetaald als ware hij 55-65% arbeidsongeschikt.
Het bezwaar tegen dit besluit is bij besluit van 28 februari 2005 ongegrond verklaard.
Het beroep tegen dit besluit is in de aangevallen uitspraak ongegrond verklaard.
Appellant heeft zich gemotiveerd tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.
Hiertoe heeft hij in de eerste plaats aangevoerd dat de belastingdienst akkoord is gegaan met het aangegeven negatieve loon over 2002. Bovendien is appellant van mening dat zijn medische beperkingen hem verhinderen van de auto van de zaak gebruik te maken.
Op grond hiervan meent hij dat zijn arbeidsinkomsten uit de besloten vennootschap moeten worden verminderd.
De Raad overweegt als volgt.
Ingevolge vaste jurisprudentie van de Raad komt bij de bepaling van hoogte van de inkomsten uit arbeid als bedoeld in artikel 58 van Pro de WAZ bijzondere betekenis toe aan het standpunt van de fiscus.
Bovendien geldt dat in een geval als het onderhavige gedaagde voor de vaststelling van de arbeidsinkomsten in belangrijke mate afhankelijk is van de inlichtingen die door appellant zelf worden verstrekt.
Vaststaat dat appellant de bijtelling voor de auto van de zaak fiscaal heeft aangegeven en dat bij de aanslagregeling hiervan niet is afgeweken. Hiermee staat voor de Raad vast dat appellant het voordeel van het privé-gebruik van de auto van de zaak heeft genoten. Aan de stelling van appellant dat hij dit voordeel op medische gronden niet genoot, kan ook daarom geen betekenis toekomen, omdat hij deze op geen enkele wijze heeft onderbouwd.
Vastgesteld moet worden dat appellant aan gedaagde in ‘de vragenlijst loongegevens’ heeft verklaard hoe hoog zijn maandloon was. Hij heeft deze vragenlijst ook ondertekend. Bovendien heeft er blijkens de gedingstukken na de ontvangst door gedaagde van de vragenlijst nog telefonisch contact plaatsgevonden, waarin appellant niet heeft gesteld dat het door hem opgegeven loonbedrag niet juist is.
Onder deze omstandigheden acht de Raad het niet onaanvaardbaar dat gedaagde appellant aan zijn opgave houdt. De Raad merkt hierbij overigens op, dat zelfs indien appellant in zijn betoog zou worden gevolgd en rekening zou worden gehouden met terug te betalen loon terzake van 2002 ad € 27.000,--, dan nog een loon zou resteren van € 22.478,--, hetgeen voor toepassing van de anti-cumulatiebepaling niet tot betaling naar een hoger arbeidsongeschiktheidspercentage zou leiden.
Het vorenstaande brengt mee dat de aangevallen uitspraak bevestigd dient te worden.
De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan het bepaalde in artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door R.C. Schoemaker als voorzitter en G. van der Wiel en G.H.J. Doornewaard als leden. De belissing is, in tegenwoordigheid van D. Olthof als griffier, uitgesproken in het openbaar op 8 februari 2007.
(get.) R.C. Schoemaker.
(get.) D. Olthof.