ECLI:NL:CRVB:2007:AZ8749

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
18 januari 2007
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
04-4756 AW
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • H.A.A.G. Vermeulen
  • J.Th. Wolleswinkel
  • A.A.M Mollee
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:3 AwbArt. 8:75 AwbBesluit decentralisatie arbeidsvoorwaarden-vorming universiteiten, hogescholen en onderzoekinstellingenBWOOWRHBO
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Onbevoegdheid bestuursorgaan bij besluit BWOO-uitkering voor 17 december 1999

Appellante ontving een ontslaguitkering op grond van het BWOO, die door het UWV werd herzien en teruggevorderd over de periode 1997-2002. De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond. In hoger beroep betwistte appellante de grondslag van de uitkering en de bevoegdheid van het bestuursorgaan.

De Raad overwoog dat tot 17 december 1999 de uitkering publiekrechtelijk was en alleen de minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap bevoegd was besluiten te nemen. Het bestreden besluit was echter niet door deze minister genomen, waardoor het niet in stand kon blijven. Na die datum was sprake van een civielrechtelijke verhouding, en was de rechtbank onbevoegd.

De Raad vernietigde daarom het primaire en bestreden besluit voor zover ze betrekking hadden op de periode tot 17 december 1999 en verklaarde de rechtbank onbevoegd voor het beroep vanaf die datum. Tevens veroordeelde de Raad het bestuur in de proceskosten van appellante.

Uitkomst: Besluiten over BWOO-uitkering tot 17 december 1999 worden vernietigd wegens onbevoegdheid bestuursorgaan; rechtbank onbevoegd voor beroep vanaf die datum.

Uitspraak

04/4756 AW
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[appellante], (hierna: appellante),
tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 16 juli 2004, 03/869 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellante
en
het Bestuur van de Stichting ArtEz (hierna: bestuur)
Datum uitspraak: 18 januari 2007
I. PROCESVERLOOP
Namens appellante heeft mr. L.M. Reuser, juridisch medewerker van de Nederlandse Federatie Tertiair Onderwijs, hoger beroep ingesteld.
Namens het bestuur is een verweerschrift ingediend.
Gelet op de namens partijen gegeven toestemming daartoe heeft de Raad bepaald dat het onderzoek ter zitting achterwege blijft en heeft hij het onderzoek gesloten.
II. OVERWEGINGEN
1. Op grond van de gedingstukken gaat de Raad uit van de volgende hier van belang zijnde feiten en omstandigheden.
1.1. Bij besluit van de minister van Onderwijs en Wetenschappen van 15 december 1989 is aan appellante in verband met de beëindiging van haar betrekking van docente aan de Christelijke Hogeschool voor de Kunsten te Kampen een ontslaguitkering toegekend op grond van hoofdstuk I-H van het Rechtspositiebesluit onderwijspersoneel. Die uitkering is met ingang van 1 maart 1994 gedeeltelijk en met ingang van 1 januari 1996 volledig een ontslaguitkering geworden op grond van het Besluit Werkloosheid onderwijs- en onderzoekpersoneel (BWOO).
1.2. Bij brief van 31 juli 2002 (hierna: primair besluit) heeft het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: UWV) beslissingen genomen tot herziening van appellantes uitkering over de jaren 1997-2002, tot terugvordering van over die jaren onverschuldigd betaalde uitkering en tot vaststelling van een korting.
1.3. Bij beslissing van 13 januari 2003 (hierna: bestreden besluit) heeft de Raad van Bestuur van het UWV namens het bestuur de onder 1.2. vermelde beslissingen gehandhaafd.
2. Bij de aangevallen uitspraak is het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.
3. Hangende het hoger beroep van appellante tegen die uitspraak heeft de Raad aan beide partijen gevraagd een standpunt te bepalen over de grondslag van de ontslaguitkering in de betrokken periode. Verwezen is naar de uitspraken van de Raad van 4 november 2004, LJN AR5652, 16 maart 2005, LJN AT3303, en 18 mei 2005, LJN AT6746, waarin over die grondslag is beslist in het licht van het Besluit decentralisatie arbeidsvoorwaarden-vorming universiteiten, hogescholen en onderzoekinstellingen, Stb. 1999, 528 (hierna: Decentralisatiebesluit).
3.1. Namens het bestuur is het nadere standpunt ingenomen dat de BWOO-uitkering van appellante te rekenen van 1 januari 1999 geacht wordt te zijn toegekend op grond van de Werkloosheidsregeling Hoger Beroepsonderwijs (hierna: WRHBO) en dat de WRHBO hier - waar sprake is van een zogenoemde bijzondere hogeschool - slechts gezien kan worden als het voldoen aan een bekostigingsvoorwaarde en niet als een krachtens het Decentralisatiebesluit of enig ander publiekrechtelijk voorschrift vastgestelde publiek-rechtelijke regeling. Dat betekent, aldus het bestuur, dat het primaire besluit, voor zover dat betrekking heeft op de periode vanaf 1 januari 1999, niet is aan te merken als een besluit in de zin van artikel 1:3 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) en dat de rechtbank zich in zoverre onbevoegd had moeten verklaren. De datum van 1 januari 1999 ontleent het bestuur aan de onder 3. vermelde uitspraak van 16 maart 2005.
3.2. Namens appellante is het nadere standpunt ingenomen dat artikel 20, in verbinding met artikel 7 van Pro het Decentralisatiebesluit ertoe leidt dat personeel van bekostigde hogescholen met ingang van 17 december 1999 niet langer onder het BWOO valt. Gewezen is op artikel V van de WRHBO, luidend: “ Het recht op uitkering van de betrokkene die op 16 december 1999 recht heeft op een uitkering krachtens het BWOO en die op 17 december 1999 als betrokkene in de zin van deze regeling wordt aangemerkt, wordt met ingang van 17 december 1999 voortgezet op grond van het bepaalde in deze regeling.” Op grond daarvan heeft appellante geconcludeerd dat het geschil omtrent de ontslaguitkering van appellante over de periode van 1 januari 1997 tot en met 16 december 1999 publiekrechtelijk van aard is en sedertdien civielrechtelijk.
4. De Raad overweegt naar aanleiding daarvan het volgende.
4.1. Hij volgt beide partijen in hun nadere standpunt dat de uitkering van appellante tot het tijdstip waarop het Decentralisatiebesluit van kracht is geworden, beheerst wordt door regels van publiekrecht en dat daarna sprake is van een civielrechtelijke rechtsver-houding. De Raad verwijst naar zijn onder 3. vermelde uitspraken. Hij volgt appellante in haar standpunt dat evenbedoeld tijdstip is gelegen op 17 december 1999, zoals ook is overwogen in zijn onder 3. vermelde uitspraak van 4 november 2004; ten aanzien van dit tijdstip komt de Raad terug van enkele andersluidende uitspraken, waaronder zijn uitspraak van 16 maart 2005.
4.2. Blijkens zijn evenvermelde uitspraken is tot 17 december 1999 sprake van een BWOO-uitkering ten aanzien waarvan de minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap bevoegd is. Het bestreden besluit is niet door die minister genomen, zodat dit niet in stand kan blijven. Omdat ook het primaire besluit niet door hem is genomen, kan ook dat niet in stand blijven. De Raad vindt hierin aanleiding zowel de aangevallen uitspraak als het bestreden besluit en het primaire besluit te vernietigen voor zover die betrekking hebben op de periode tot 17 december 1999.
4.3. Voor zover het bestreden besluit betrekking heeft op de periode vanaf 17 december 1999, is dat niet aan te merken als een besluit in de zin van artikel 1:3 van Pro de Awb. In zoverre kan uitsluitend een vordering worden ingesteld bij de burgerlijke rechter. De rechtbank had zich onbevoegd moeten verklaren met betrekking tot het door appellante ingestelde beroep tegen het bestreden besluit voor zover dat betrekking heeft op de periode vanaf 17 december 1999. De Raad zal daarom de aangevallen uitspraak ook in zoverre, en dus in haar geheel, vernietigen.
5. Gelet op vorenstaande acht de Raad termen aanwezig het bestuur met toepassing van artikel 8:75 van Pro de Awb te veroordelen in de proceskosten van appellante, begroot op
€ 644,- aan kosten van juridische bijstand, € 7,30 aan reiskosten en € 300,- aan verletkosten in eerste aanleg en op € 322,- aan kosten van juridische bijstand in hoger beroep, in totaal op € 1.273,30.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Vernietigt de aangevallen uitspraak;
Vernietigt het primaire besluit en het bestreden besluit voor zover die besluiten betrekking hebben op de periode tot 17 december 1999;
Verklaart de rechtbank onbevoegd met betrekking tot het door appellante ingestelde beroep tegen het bestreden besluit voor zover dat betrekking heeft op de periode vanaf
17 december 1999;
Veroordeelt het bestuur in de proceskosten van appellante tot een bedrag van € 1.273,30, te betalen door de Stichting ArtEz;
Bepaalt dat de Stichting ArtEz het door appellante in beide instanties betaalde griffierecht van in totaal € 139,- vergoedt.
Deze uitspraak is gedaan door H.A.A.G. Vermeulen als voorzitter en J.Th. Wolleswinkel en A.A.M Mollee als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van O.C. Boute als griffier, uitgesproken in het openbaar op 18 januari 2007.
(get.) H.A.A.G. Vermeulen.
(get.) O.C. Boute.
HD
23.01