ECLI:NL:CRVB:2007:AZ8799

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
16 februari 2007
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
05-993 WAO
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • G.J.H. Doornewaard
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:75 AwbWet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO)
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging besluit UWV over mate van arbeidsongeschiktheid en WAO-uitkering

Appellant ging in hoger beroep tegen het besluit van het UWV van 26 april 2004, waarin het UWV zijn WAO-uitkering vanaf 26 december 2003 vaststelde op een arbeidsongeschiktheidspercentage van 35 tot 45%. De rechtbank had het beroep van appellant ongegrond verklaard. In hoger beroep stelde appellant dat zijn beperkingen ernstiger zijn en dat hij recht heeft op een hoger percentage. De Raad verwijst naar de uitgebreide feiten en omstandigheden in de aangevallen uitspraak en constateert dat appellant geen nieuwe argumenten heeft ingebracht.

De Raad oordeelt dat de rechtbank de grieven van appellant voldoende en gemotiveerd heeft behandeld en onderschrijft deze overwegingen. Er is geen aanleiding om het oordeel van de rechtbank te wijzigen. Tevens ziet de Raad geen grond voor een proceskostenveroordeling op grond van artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht.

De Centrale Raad van Beroep bevestigt daarom de uitspraak van de rechtbank Roermond van 27 december 2004 en handhaaft het besluit van het UWV omtrent de mate van arbeidsongeschiktheid en de toekenning van de WAO-uitkering.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt het besluit van het UWV tot toekenning van een WAO-uitkering met een arbeidsongeschiktheidspercentage van 35 tot 45%.

Uitspraak

05/993 WAO
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),
tegen de uitspraak van de rechtbank Roermond van 27 december 2004, 04/718 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellant
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).
Datum uitspraak: 16 februari 2007
I. PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft mr. R.L.J.J. Vereijken, werkzaam voor de Stichting Rechtsbijstand te Tilburg, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaats gevonden op 5 januari 2007. Appellant is aldaar, zoals tevoren is bericht, niet verschenen. Het Uwv was vertegenwoordigd door W.J.M.H. Lagerwaard.
II. OVERWEGINGEN
Onder verwijzing naar de aangevallen uitspraak voor een uitgebreide weergave van de feiten en omstandigheden die in dit geding van belang zijn, volstaat de Raad met het volgende.
Het inleidend beroep richt zich tegen het besluit van het Uwv van 26 april 2004, waarbij het Uwv - beslissend op bezwaar - zijn besluit heeft gehandhaafd om appellant met ingang van 26 december 2003 - in aansluiting op het einde van de wachttijd - een uitkering toe te kennen ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 35 tot 45%.
De rechtbank heeft het inleidend beroep ongegrond verklaard.
In hoger beroep heeft appellant zich evenals in beroep op het standpunt gesteld dat hem met ingang van 26 december 2003 een WAO-uitkering dient te worden toegekend naar een hoger arbeidsongeschiktheidspercentage dan 35 tot 45, aangezien het Uwv de omvang en ernst van zijn medische beperkingen onderschat en zijn functionele mogelijkheden overschat. Hetgeen appellant in hoger beroep ter onderbouwing van zijn standpunt heeft aangevoerd, vormt een herhaling van hetgeen reeds in beroep is aangevoerd. Nieuwe gezichtspunten zijn niet naar voren gebracht.
De Raad heeft geen grond gevonden om tot een ander oordeel te komen dan door de rechtbank in de aangevallen uitspraak is neergelegd. Naar het oordeel van de Raad heeft de rechtbank de door appellant in hoger beroep herhaalde grieven afdoende besproken en genoegzaam gemotiveerd waarom die grieven niet slagen. De Raad onderschrijft de ter zake door de rechtbank gehanteerde overwegingen en maakt deze tot de zijne.
Het voorgaande betekent dat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.
De Raad acht geen termen aanwezig om met toepassing van artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht een proceskostenveroordeling uit te spreken.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door G.J.H. Doornewaard. De beslissing is, in tegenwoordigheid van N.E. Nijdam als griffier, uitgesproken in het openbaar op 16 februari 2007.
(get.) G.J.H. Doornewaard
(get.) N.E. Nijdam
TM