In hoger beroep heeft appellant (wederom) aangevoerd dat het Uwv de ernst van zijn psychische aandoening en chronische longaandoening niet goed onderkent en derhalve de daardoor veroorzaakte beperkingen onvoldoende laat meewegen bij de vaststelling van zijn belastbaarheid. Appellant herhaalt zijn verzoek om een deskundige te benoemen om rapport uit te brengen over de bij hem bestaande psychiatrische stoornissen, aangezien uit de stukken niet blijkt van de door het Uwv veronderstelde verbetering van de ernstige psychiatrische stoornissen die reeds jaren geleden werden vastgesteld.
Voorts heeft appellant (wederom) aangevoerd dat de geselecteerde functies ongeschikt zijn, aangezien in deze functies dient te worden samengewerkt, omgegaan met patiënten en gewerkt in de aanwezigheid van stof, rook, gassen en dampen, op welke punten appellant op medische gronden beperkt is. Tevens is geen rekening gehouden met de bijwerkingen van het door hem gebruikte anti-depressivum.
Wat betreft de medische beoordeling is de Raad, evenals de rechtbank, van oordeel dat er, gelet op de stukken, geen grond voor twijfel is aan de juistheid van de door de verzekeringsartsen in acht genomen medische beperkingen van appellant en stelt de Raad zich volledig achter de overwegingen van de rechtbank terzake. De in hoger beroep ingezonden medische informatie van K. Kasi, psychiater, doet hieraan naar het oordeel van de Raad niet af, reeds omdat deze informatie ziet op de periode vanaf april 2005 gedurende welke appellant bij deze psychiater in behandeling is, derhalve geen betrekking heeft op appellants medische situatie op de datum in geding. Wat betreft de astmatische bronchitis van appellant is de Raad van oordeel dat, nu appellant ten tijde van de geneesverzekeringskundige onderzoeken aangaf hiervan geen last te hebben en geen medicatie te gebruiken en gelet op de momenteel door appellant gebruikte medicatie (becotine en ventolin) het Uwv terecht geen aanleiding heeft gezien om beperkingen ten aanzien van werken in de omgeving van stof, rook, gassen en dampen op te nemen in de FML.
Het enkele feit dat appellant eerder op medische gevonden een volledige WAO-uitkering is toegekend, doch de bezwaarverzekeringsarts op 30 januari 2004 – anders dan de primaire verzekeringsarts op 3 april 2003, die in het geheel geen aanleiding tot een urenbeperking zag – een beperking tot maximaal 4 uur per dag/20 uren per week heeft opgenomen en ook op dat punt de FML heeft aangescherpt, vormt onvoldoende aanleiding om aan te nemen dat de verzekeringsgeneeskundige beoordeling niet zorgvuldig kan zijn geweest.
Gelet op het voorgaande ziet de Raad evenmin als de rechtbank aanleiding om een expertise te laten verrichten door een onafhankelijke medisch deskundige.