ECLI:NL:CRVB:2007:AZ9113
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- M.S.E. Wulffraat-van Dijk
- M.C.M. van Laar
- O.J.D.M.L. Jansen
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking WAO-uitkering en beëindiging ziekengeld na herbeoordeling arbeidsongeschiktheid
Appellante werd arbeidsongeschikt verklaard en ontving aanvankelijk een WW-uitkering, gevolgd door een Ziektewetuitkering en daarna een WAO-uitkering met een arbeidsongeschiktheidspercentage van 80-100%.
Na een verzekeringsgeneeskundig en arbeidskundig heronderzoek concludeerde het UWV dat appellante in staat was om met de voorgehouden functies voldoende inkomen te verdienen, waardoor haar arbeidsongeschiktheid minder dan 15% bedroeg. Dit leidde tot intrekking van de WAO-uitkering per 16 oktober 2003. Appellante maakte bezwaar, maar dit werd ongegrond verklaard door het UWV en bevestigd door de rechtbank.
Appellante meldde zich opnieuw ziek vanuit een WW-situatie, maar werd op 10 mei 2004 door een verzekeringsarts geschikt verklaard voor gangbare arbeid. Het UWV beëindigde daarop het ziekengeld, wat eveneens werd bevestigd in bezwaar en door de rechtbank.
De Centrale Raad van Beroep oordeelt dat de medische en arbeidskundige beoordelingen waarop het UWV de besluiten baseerde, zorgvuldig en toereikend zijn. Het rapport van de door appellante overgelegde psycholoog werd gemotiveerd verworpen. De functies die als passend werden aangemerkt, zijn volgens de Raad geschikt voor appellante. Er zijn geen nieuwe medische gegevens die twijfel oproepen over de juistheid van de beoordelingen.
De Raad bevestigt daarom de aangevallen uitspraken en verklaart de beroepen van appellante ongegrond.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de intrekking van de WAO-uitkering en beëindiging van het ziekengeld, en verklaart het hoger beroep ongegrond.