ECLI:NL:CRVB:2007:AZ9129
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- M.S.E. Wulffraat-van Dijk
- M.C.M. van Laar
- O.J.D.M.L. Jansen
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering ziekengeld na WAO-schatting en ziekmelding vanuit WW-uitkering
Appellant ontving vanaf 11 april 2003 een WAO-uitkering met een arbeidsongeschiktheid van 25 tot 35%, gebaseerd op het oordeel dat hij ten minste drie geselecteerde functies kon vervullen. Na ziekmelding vanuit een WW-uitkeringssituatie wegens een hartinfarct, kende het UWV hem ziekengeld toe op grond van de Ziektewet. Dit ziekengeld werd per 2 februari 2004 beëindigd omdat appellant toen geacht werd weer in staat te zijn ten minste één van de geselecteerde functies te verrichten.
Appellant maakte bezwaar tegen dit besluit, dat door het UWV werd afgewezen. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, een oordeel dat door de Centrale Raad van Beroep werd bevestigd. De Raad stelde vast dat de bezwaarverzekeringsarts alle relevante medische informatie had betrokken, waaronder hart- en rugklachten, en dat er geen aanwijzingen waren dat appellant op de relevante datum minder belastbaar was dan vastgesteld.
Het door appellant overgelegde cardiologisch rapport was gebaseerd op een latere datum en was niet toegespitst op de situatie op 2 februari 2004. Bovendien ging het rapport in op klachten buiten het vakgebied van de cardioloog. De Raad volgde de eerdere beoordeling dat de hersteldverklaring gedragen wordt door ten minste één van de geselecteerde functies, conform vaste jurisprudentie.
De Centrale Raad van Beroep bevestigde daarom het bestreden besluit en zag geen aanleiding voor toepassing van artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht. De uitspraak werd gedaan door een meervoudige kamer op 21 februari 2007.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt het besluit om het ziekengeld te beëindigen omdat appellant in staat werd geacht ten minste één van de geselecteerde functies te verrichten.