ECLI:NL:CRVB:2007:AZ9326
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- H. Bolt
- Rechtspraak.nl
Bevestiging terugvordering WW-uitkering ondanks overmachtsituatie appellant
Appellant verbleef van 25 augustus 2004 tot en met 7 maart 2005 in het buitenland, waardoor het UWV besloot de WW-uitkering over die periode terug te vorderen. Appellant voerde aan dat hij door toedoen van zijn ex-echtgenote in Iran in een overmachtsituatie was gekomen, omdat zijn paspoort werd ingenomen en hij het land niet kon verlaten zonder hoge kosten.
De rechtbank oordeelde dat de omstandigheden van appellant niet zodanig uitzonderlijk waren dat sprake was van dringende redenen om terugvordering te voorkomen. In hoger beroep handhaafde de Raad dit oordeel. Hoewel erkend werd dat appellant in moeilijke sociale en financiële omstandigheden verkeerde, was dit onvoldoende om af te wijken van de terugvordering.
De Raad benadrukte dat dringende redenen slechts kunnen bestaan indien de sociale en financiële consequenties onaanvaardbaar zijn en dat deze niet kunnen voortkomen uit de oorzaak van de terugvordering zelf. De Raad zag geen aanleiding voor proceskostenvergoeding en bevestigde de eerdere uitspraak.
Uitkomst: De terugvordering van de WW-uitkering wordt bevestigd omdat geen dringende reden is aangetoond om hiervan af te zien.