ECLI:NL:CRVB:2007:AZ9452

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
27 februari 2007
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
05-913 WAO
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • K.J.S. Spaas
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:69 AwbWet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO)
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging weigering WAO-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid per 23 december 2003

Appellant stelde beroep in tegen het besluit van het UWV om zijn WAO-uitkering te weigeren met ingang van 23 december 2003, omdat hij volgens het UWV minder dan 15% arbeidsongeschikt was. Het UWV oordeelde dat appellant geschikt was voor zijn eigen werk als vertegenwoordiger voor 40 uur per week. Appellant betoogde dat hij slechts 30 uur per week kon werken.

De rechtbank oordeelde dat het UWV- besluit op een juiste medische grondslag berustte en dat er geen medische reden was voor een urenbeperking. Appellant had geen medische stukken overgelegd die twijfel konden zaaien over de juistheid van het UWV-oordeel.

De Centrale Raad van Beroep vond in het hoger beroep geen aanleiding om anders te oordelen dan de rechtbank. De bezwaarverzekeringsarts stelde dat de discopathie van appellant in december 2003 nauwelijks klachten gaf die een operatie noodzakelijk maakten en dat de gezondheidstoestand pas ruim na die datum verslechterde. Medische gegevens van de huisarts dateren van na de datum in geschil en ondersteunen de stelling van appellant niet. De Raad kende geen beslissende betekenis toe aan de eigen opvatting van appellant zonder medische onderbouwing.

Gelet op artikel 8:69 van Pro de Algemene wet bestuursrecht kon het bestreden besluit in rechte standhouden. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van de WAO-uitkering per 23 december 2003 wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid.

Uitspraak

05/913 WAO
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[appellant] (hierna: appellant),
tegen de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage van 4 januari 2005, 04/2310 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellant
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).
Datum uitspraak: 27 februari 2007
I. PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft mr. P.J.L.J. Duijsens, advocaat te 's-Gravenhage, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 6 februari 2007. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. L.P.A. Zwijnenberg, advocaat en kantoorgenoot van
mr. Duijsens. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door E.C. van der Meer.
II. OVERWEGINGEN
Bij besluit van 27 april 2004, verder: het bestreden besluit, heeft het Uwv ongegrond verklaard het bezwaar van appellant tegen een eerder genomen besluit waarbij appellant met ingang van 23 december 2003 een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) is geweigerd omdat het Uwv appellant voor minder dan 15% arbeidsongeschikt in de zin van die wet acht. Hieraan ligt ten grondslag het oordeel van het Uwv dat appellant op laatstgenoemde datum geschikt was voor zijn eigen werk van vertegenwoordiger voor 40 uur per week.
Appellant stelt zich op het standpunt dat hij op de datum in geding slechts geschikt was voor zijn werk gedurende 30 uur per week.
De rechtbank is, kort gezegd, van oordeel dat het bestreden besluit op een juiste medische grondslag berust en dat er geen reden is voor een urenbeperking op medische gronden. De rechtbank wijst erop dat appellant ook geen stukken met medische gegevens heeft ingebracht die twijfel zouden kunnen doen rijzen aan de juistheid van het oordeel van het Uwv.
In hoger beroep heeft appellant zijn stellingen herhaald. Op 12 januari 2007 heeft zijn gemachtigde stukken overgelegd waaruit onder meer blijkt dat appellant op
30 november 2006 aan een HNP (hernia) op niveau L4-L5 is geopereerd.
De Raad oordeelt als volgt.
In hetgeen appellant en zijn gemachtigde in hoger beroep hebben aangevoerd heeft de Raad geen gronden gevonden om over het bestreden besluit anders te oordelen dan de rechtbank in de aangevallen uitspraak heeft gedaan.
De Raad heeft daarbij doen wegen dat de bezwaarverzekeringsarts R.M. Hulst in zijn reactie van 24 januari 2007 op de namens appellant in januari 2007 overgelegde stukken heeft gesteld dat de ook in december 2003 reeds bekende discopathie van appellant niet of nauwelijks klachten pleegt te geven die een operatie als de onderhavige noodzakelijk maken. Hulst concludeert dat appellants gezondheidstoestand pas ruim na de datum in geding is verslechterd.
Dit spoort met de inhoud van de overgelegde brief van de orthopedisch chirurg
dr. G.N. Homminga van 30 november 2006 aan de huisarts van appellant waarin onder anamnese wordt vermeld dat al 26 jaar rugklachten bestaan maar dat appellant vijf weken eerder scheef ging staan en heftige pijn aan de buitenzijde van het rechter bovenbeen kreeg.
Na MRI-onderzoek, waarbij een HNP bleek, adviseerde Homminga een operatie die vervolgens op 30 november 2006 heeft plaatsgevonden.
Hieruit kan naar het oordeel van de Raad niet worden afgeleid dat appellants belastbaarheid op 23 december 2003 door het Uwv is overschat.
Ook de van de huisarts afkomstige gegevens die in januari 2007 zijn overgelegd dateren van ver na de datum die thans in geding is. Afgezien van de aanzienlijke verergering van appellants rugklachten in oktober 2006 blijkt uit die gegevens ook niet dat het Uwv de belastbaarheid van appellant uitgaande van 23 december 2003 zou hebben onderschat op grond van het bestaan van het syndroom van Gilbert of op andere gronden.
Aan de eigen opvatting van appellant en zijn gemachtigde over appellants belastbaarheid kan de Raad, bij gebreke aan van artsen afkomstige medische gegevens, die voor die opvatting steun bieden, geen beslissende betekenis toekennen.
Nu ook overigens in het licht van artikel 8:69 van Pro de Algemene wet bestuursrecht geen aanleiding bestaat voor het oordeel dat het bestreden besluit in rechte geen stand kan houden, komt de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking.
De Raad acht geen termen aanwezig voor een proceskostenveroordeling.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door K.J.S. Spaas. De beslissing is, in tegenwoordigheid van C.D.A. Bos als griffier, uitgesproken in het openbaar op 27 februari 2007.
(get.) K.J.S. Spaas.
(get.) C.D.A. Bos.