ECLI:NL:CRVB:2007:AZ9679

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
14 februari 2007
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
05-4549 WVG
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Wet voorzieningen gehandicapten
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing aanvraag vervoers- en woonvoorziening wegens geen medische indicatie

Appellant heeft op grond van de Wet voorzieningen gehandicapten (Wvg) een vervoersvoorziening en verhuiskostenvergoeding aangevraagd. Het College van burgemeester en wethouders van de gemeente ’s-Gravenhage heeft deze aanvraag afgewezen op basis van een indicatierapport van Argonaut, waarin werd vastgesteld dat appellant lichamelijke beperkingen heeft, maar geen medische indicatie voor de voorzieningen.

Appellant stelde dat het medisch onderzoek onzorgvuldig was en dat het College ten onrechte de voorzieningen had geweigerd. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en appellant ging in hoger beroep bij de Centrale Raad van Beroep.

De Raad concludeerde dat het College zich niet had gebaseerd op ondeugdelijke medische advisering, omdat Argonaut de medische informatie van appellant had betrokken en appellant zelf aangaf nog gebruik te kunnen maken van het openbaar vervoer en traplopen. Daarom werd de aangevallen uitspraak bevestigd en werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: De aanvraag voor vervoers- en woonvoorziening wordt afgewezen wegens het ontbreken van een medische indicatie.

Uitspraak

05/4549 WVG
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[appellant] (hierna: appellant),
tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 24 juni 2005, 04/5408 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellant
en
het College van burgemeester en wethouders van de gemeente ’s-Gravenhage (hierna: College)
Datum uitspraak: 14 februari 2007
I. PROCESVERLOOP
Appellant heeft hoger beroep ingesteld.
Het College heeft desgevraagd nadere stukken ingediend.
De zaak is ter behandeling aan de orde gesteld op de zitting van 22 november 2006, waar partijen niet zijn verschenen.
II. OVERWEGINGEN
Voor een overzicht van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden verwijst de Raad naar de aangevallen uitspraak. Hij volstaat hier met het volgende.
Appellant heeft op 2 april 2004 op grond van het bepaalde bij en krachtens de Wet voorzieningen gehandicapten (Wvg) een vervoersvoorziening en een verhuiskostenvergoeding aangevraagd.
In het kader van deze aanvraag heeft Argonaut op 21 juni 2004 advies uitgebracht. In dit advies is aangegeven dat er bij appellant weliswaar sprake is van lichamelijke beperkingen, maar dat er geen medische indicatie bestaat voor een vervoersvoorziening of een woonvoorziening.
Bij onderscheiden besluiten van 2 juli 2004 heeft het College, onder verwijzing naar het indicatierapport van Argonaut van 21 juni 2004, de aanvraag van appellant afgewezen.
Bij besluit van 22 november 2004 heeft het College het bezwaar van appellant tegen vorengenoemde besluiten ongegrond verklaard.
Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het besluit van 22 november 2004 ongegrond verklaard.
Appellant heeft zich in hoger beroep tegen deze uitspraak gekeerd. Daarbij heeft appellant aangevoerd dat het medisch onderzoek van Argonaut onzorgvuldig is geweest, waardoor het College hem ten onrechte niet in aanmerking heeft gebracht voor de gevraagde voorzieningen.
De Raad komt tot de volgende beoordeling.
De Raad ziet met de rechtbank geen aanleiding voor de conclusie dat het College zich heeft gebaseerd op ondeugdelijke medische advisering. Argonaut heeft de door appellant overgelegde medische informatie uitdrukkelijk bij de beoordeling betrokken en overigens heeft appellant zelf aangegeven nog gebruik te kunnen maken van het regulier openbaar vervoer en - zij het moeizaam - nog te kunnen traplopen.
Het voorgaande betekent dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.
Voor een veroordeling in de proceskosten ziet de Raad geen aanleiding.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door H.J. de Mooij. De beslissing is, in tegenwoordigheid van S.R. Bagga als griffier, uitgesproken in het openbaar op 14 februari 2007.
(get.) H.J. de Mooij.
(get.) S.R. Bagga.
RB1602