ECLI:NL:CRVB:2007:AZ9981

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
16 februari 2007
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
05-113 WAO
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:75 AwbWet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO)
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging herziening arbeidsongeschiktheidsuitkering ondanks betwisting rugklachten

Appellant stelde hoger beroep in tegen het besluit van het UWV om zijn arbeidsongeschiktheidsuitkering te herzien per 24 augustus 2003, waarbij zijn mate van arbeidsongeschiktheid werd vastgesteld tussen 15 en 25%. Hij voerde aan dat zijn rugklachten werden onderschat en dat de vastgestelde belastbaarheid onjuist was, waardoor hij de geduide functies niet kon vervullen.

De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, omdat het UWV op juiste medische gronden de beperkingen had vastgesteld en appellant geschikt achtte voor de voorgestelde werkzaamheden. De Centrale Raad van Beroep bevestigde deze uitspraak na zorgvuldige beoordeling van het medisch onderzoek en de rapportages van de verzekeringsartsen.

De Raad vond geen aanleiding om het besluit te vernietigen of te wijzigen, mede omdat de toename van de klachten na de datum van het bestreden besluit niet voldoende verband hield met de eerdere vaststelling. Het onderzoek door de verzekeringsartsen werd als zorgvuldig en goed gemotiveerd beoordeeld.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de herziening van de arbeidsongeschiktheidsuitkering en verklaart het hoger beroep ongegrond.

Uitspraak

05/113 WAO
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[appellant] (hierna: appellant),
tegen de uitspraak van de rechtbank Breda van 1 december 2004, 03/2794
(hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellant
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen
(hierna: Uwv).
Datum uitspraak: 16 februari 2007
I. PROCESVERLOOP
Namens appellant, heeft mr. H.A. van der Hout, advocaat te Bergen op Zoom, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 26 januari 2007, waar appellant is verschenen, bijgestaan door mr. I.G.J.C. Baartmans, kantoorgenoot van
mr. Van der Hout. Het Uwv heeft zich doen vertegenwoordigen door mr. I.M. de Groot.
II. OVERWEGINGEN
Het inleidend beroep richt zich tegen het besluit van het Uwv van 20 november 2003 waarbij het Uwv heeft gehandhaafd zijn besluit van 30 juni 2003 strekkende tot de herziening per 24 augustus 2003 van de aan appellant toegekende uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering naar een mate van arbeidsongeschiktheid van, naar de Raad begrijpt, 15 tot 25%.
Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank overwogen dat zij geen aanknopingspunten heeft gevonden voor het oordeel dat het Uwv van onjuiste medische beperkingen is uitgegaan. Met inachtneming van die beperkingen is appellant naar het oordeel van de rechtbank door het Uwv terecht geschikt geacht voor werkzaamheden verbonden aan de door de arbeidsdeskundige geduide functies.
De rechtbank heeft het beroep van appellant ongegrond verklaard.
Appellant heeft in hoger beroep de eerder naar voren gebrachte grieven herhaald, welke
- kort samengevat - betreffen het onderschatten van zijn rugklachten, het onvoldoende meewegen van de informatie uit de behandelende sector, de onjuiste vaststelling van zijn belastbaarheid en het als gevolg van de klachten niet in staat zijn om de geduide functies te vervullen. Voorts heeft appellant zich op het standpunt gesteld dat de volledige arbeidsongeschiktheid, zoals vastgesteld per ingangsdatum 8 maart 2004, zich reeds voordeed op de datum hier in geding.
De Raad overweegt als volgt.
Naar het oordeel van de Raad is het onderzoek door de (bezwaar)verzekeringsartsen zorgvuldig en weloverwogen geweest. De conclusies van die artsen zijn gebaseerd op de anamnese, onderzoek van appellant en informatie uit de behandelende sector.
De Raad stelt in dat kader vast dat de bezwaarverzekeringsarts L. Greveling in zijn rapportages van 16 oktober 2003, 15 januari 2004 en 16 maart 2004 afdoende heeft gemotiveerd waarom hij zich kan verenigen met de door de verzekeringsarts
R. van der Vlies vastgestelde beperkingen. Voorts onderschrijft de Raad de overwegingen van het Uwv, die onder verwijzing naar de rapportage van de verzekeringsarts
E.C. van der Eijk d.d. 6 april 2004 onvoldoende verband ziet tussen de datum hier in geding, 24 augustus 2003 en de later toegenomen arbeidsongeschiktheid per
8 maart 2004. Mede in aanmerking genomen dat appellant desgevraagd ter zitting van de rechtbank heeft verklaard dat er sprake is van een toename van de rugklachten, onderschrijft de Raad evenals de rechtbank de juistheid van de medische grondslag van het bestreden besluit.
Voor wat betreft de arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit heeft de Raad, uitgaande van de juistheid van de vastgestelde belastbaarheid, evenmin grond om er van uit te gaan dat de aan appellant voorgehouden functies voor hem in medisch opzicht niet geschikt zouden zijn.
De aangevallen uitspraak komt derhalve voor bevestiging in aanmerking.
De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door R.C. Stam. De beslissing is, in tegenwoordigheid van J.E.M.J. Hetharie als griffier, uitgesproken in het openbaar op 16 februari 2007.
(get.) R.C. Stam.
(get.) J.E.M.J. Hetharie.