ECLI:NL:CRVB:2007:BA0017
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Niet-ontvankelijkheid hoger beroep inzake herziening dagloon en wettelijke rente WAO
Betrokkene had bij besluit van 8 april 1991 een WAO-uitkering met een vastgesteld dagloon ontvangen. Na verzoek om herziening van het dagloon en vergoeding van wettelijke rente werd het dagloon met terugwerkende kracht verhoogd, maar de rentevergoeding deels geweigerd. De rechtbank verklaarde het beroep tegen de rentevergoeding gegrond en vernietigde het besluit, waarbij zij oordeelde dat wettelijke rente vanaf 14 dagen na aanmaning verschuldigd was.
Appellant, het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (UWV), stelde hoger beroep in tegen deze uitspraak. De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat het besluit van 3 januari 2007, waarin een extra rentevergoeding werd toegekend, in de plaats trad van het eerdere besluit en dat daardoor het hoger beroep niet-ontvankelijk was. Het beroep dat betrokkene geacht wordt te hebben ingesteld tegen het besluit van 3 januari 2007 werd ongegrond verklaard.
De Raad overwoog dat de gevolgen van de onjuiste dagloonvaststelling in het verleden mede het risico van betrokkene zijn, mede omdat betrokkene en werkgever destijds geen melding maakten van bepaalde loonbestanddelen en betrokkene pas na lange tijd om herziening verzocht. De Raad veroordeelde appellant tot vergoeding van de proceskosten van betrokkene.
De uitspraak werd gedaan door rechter G. van der Wiel op 1 maart 2007.
Uitkomst: Het hoger beroep van appellant wordt niet-ontvankelijk verklaard en het beroep van betrokkene tegen het besluit van 3 januari 2007 wordt ongegrond verklaard.