ECLI:NL:CRVB:2007:BA0039

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
22 februari 2007
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
05-6590 WAO
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 78 WAOArt. 87a WAOArt. 4 Besluit premiedifferentiatie WAOArt. 3:4 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging premievaststelling WAO op kasbasis door UWV niet in strijd met rechtszekerheidsbeginsel

Appellante betwistte de vaststelling van de gedifferentieerde premie WAO door het UWV voor het jaar 2004, waarbij het UWV het totaalbedrag van in 2002 betaalde WAO-uitkeringen als grondslag gebruikte. De rechtbank verklaarde het bezwaar tegen het besluit ongegrond, maar vernietigde het besluit wegens strijd met artikel 87a van de WAO en liet de rechtsgevolgen in stand.

In hoger beroep voerde appellante aan dat het gebruik van in 2002 betaalde uitkeringen onrechtvaardig was en in strijd met het rechtszekerheidsbeginsel, omdat het UWV het moment van betaling kan beïnvloeden. De Raad verwierp dit verweer en onderschreef het oordeel van de rechtbank dat het kasbasisstelsel en de gevolgen daarvan duidelijk in de WAO en het Besluit premiedifferentiatie WAO zijn vastgelegd.

Verder stelde appellante dat het kasbasissysteem voor haar onbillijk uitpakte, vooral omdat zij in 2004 voor het eerst als grote werkgever werd aangemerkt. De Raad oordeelde dat artikel 78 van Pro de WAO geen ruimte biedt voor belangenafweging bij de vaststelling van de premie en dat het Besluit ook in dit geval volledig van toepassing is.

De Centrale Raad van Beroep bevestigde daarom de aangevallen uitspraak en oordeelde dat het UWV in overeenstemming met de wet heeft gehandeld bij de premievaststelling. Er werd geen aanleiding gezien voor een veroordeling in de proceskosten.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de premievaststelling door het UWV en oordeelt dat deze niet in strijd is met het rechtszekerheidsbeginsel.

Uitspraak

05/6590 WAO
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[appellante] (hierna: appellante),
tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 5 oktober 2005, 04/2438 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen
appellante
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).
Datum uitspraak: 22 februari 2007
I. PROCESVERLOOP
Namens appellante heeft mr. E. Vijge, als bedrijfsjurist verbonden aan PKF Wallast, accountants, belastingadviseurs bedrijfsjuristen te Delft, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 11 januari 2007. Voor appellante is verschenen mr. Vijge. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. W. Zwanink, werkzaam bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen.
II. OVERWEGINGEN
De Raad stelt voorop dat het in dit geding aan de orde zijnde geschil wordt
beoordeeld aan de hand van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) en de daarop rustende bepalingen, zoals die luidden ten tijde als hier van belang.
Bij besluit van 8 december 2003 heeft het Uwv de door appellante voor het jaar 2004 als grote werkgever verschuldigde gedifferentieerde premie WAO vastgesteld op 8,84%, zijnde de maximumpremie voor grote werkgevers. Het bezwaar tegen dit besluit is bij besluit van 6 april 2004 (hierna: bestreden besluit) ongegrond verklaard. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank met bepalingen betreffende de vergoeding van proceskosten en griffierecht het beroep van appellante tegen het bestreden besluit gegrond verklaard, dat besluit vernietigd wegens strijd met artikel 87a van de WAO, en bepaald dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven. Met betrekking tot de inhoud van het bestreden besluit is de rechtbank van oordeel dat het Uwv terecht het gehele bedrag van de in 2002 uitbetaalde WAO-uitkering bij de berekening van de gedifferentieerde premie in aanmerking heeft genomen.
In hoger beroep heeft appellante zich gemotiveerd gekeerd tegen de beslissing van de rechtbank om de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand te laten.
De Raad overweegt het volgende.
Zoals blijkt uit het bestreden besluit, heeft het Uwv bij de vaststelling van de door appellante in het premiejaar 2004 verschuldigde gedifferentieerde premie als bedoeld in artikel 78 van Pro de WAO het totaalbedrag van de in het jaar 2002 krachtens deze wet aan een werknemer van appellante betaalde uitkeringen betrokken. In dit bedrag zijn nabetalingen begrepen betreffende de jaren 2000 en 2001.
De Raad stelt vast dat het Uwv door de premie voor 2004 op deze wijze vast te stellen in overeenstemming heeft gehandeld met artikel 78 van Pro de WAO en artikel 4 van Pro het ter uitvoering van artikel 78, zesde lid, van de WAO, totstandgekomen Besluit premiedifferentiatie WAO (hierna: Besluit), in welk artikel is bepaald op welke wijze de in artikel 78 van Pro de WAO bedoelde opslag of korting wordt berekend.
De Raad leidt evenals de rechtbank uit de Nota van Toelichting op het Besluit af dat de regelgever in artikel 4, tweede lid, van het Besluit bewust de keuze heeft gemaakt om bij de berekening van het individuele werkgeversrisicopercentage de uitkeringslasten te bepalen op kasbasis. Daarbij is maatgevend het totaalbedrag van de ten laste komende arbeidsongeschiktheidsuitkeringen die in het tweede jaar vóór het premiejaar zijn betaald aan werknemers die bij het intreden van de arbeidsongeschiktheid in dienstbetrekking stonden tot de werkgever, ook indien deze betaling geheel of gedeeltelijk betrekking heeft op voorgaande jaren.
De - ook in beroep geuite - grief van appellante dat het Uwv door de gedifferentieerde premie WAO vast te stellen op basis van de in 2002 betaalde WAO-uitkeringen in strijd met het rechtszekerheidsbeginsel heeft gehandeld, omdat het Uwv de mogelijkheid heeft het moment van betaling van WAO-uitkeringen te beïnvloeden, is naar het oordeel van de Raad door de rechtbank terecht verworpen. De Raad onderschrijft het oordeel van de rechtbank dat in de WAO en het Besluit het kasbasisstelsel en de gevolgen daarvan voor de vaststelling van de premie duidelijk zijn neergelegd, zodat met het besluit tot premievaststelling geen met het rechtszekerheidsbeginsel strijdige situatie in het leven wordt geroepen.
Appellante heeft verder aangevoerd dat het in artikel 4 van Pro het Besluit vervatte kasbasissysteem voor haar zeer onbillijk uitwerkt, temeer nu zij in 2004 voor het eerst als een grote werkgever is aangemerkt. Voor de door appellante in dit verband bepleite toetsing van het bestreden besluit aan artikel 3:4, eerste en tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is naar het oordeel van de Raad geen plaats, aangezien artikel 78 van Pro de WAO bij het nemen van besluiten tot vaststelling van de gedifferentieerde premie WAO aan het Uwv geen ruimte biedt voor het verrichten van enige belangenafweging. De opvatting van appellante dat voor het nemen van de hier aan de orde zijnde gebonden besluiten het bepaalde in artikel 3:4 van Pro de Awb relevant is, vindt geen steun in de wet.
De Raad onderkent dat toepassing van het hiervoor genoemde kasbasissysteem in het geval van appellante als gevolg van de in 2002 gedane nabetalingen over 2000 en 2001, in combinatie met het feit dat appellante in 2004 voor het eerst als grote werkgever is aangemerkt, tot een zeer hoge premie over het jaar 2004 heeft geleid. Deze omstandigheid heeft de Raad echter niet tot het oordeel kunnen leiden dat het Besluit in een geval als het onderhavige geheel of gedeeltelijk geen toepassing mag vinden.
Gezien het voorgaande kan het hoger beroep niet slagen, zodat de aangevallen uitspraak
-voor zover aangevochten - dient te worden bevestigd. De Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten.
Deze uitspraak is gedaan door G. van der Wiel als voorzitter en N.J. van Vulpen-Grootjans en L.J.A. Damen als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van D. Olthof als griffier, uitgesproken in het openbaar op 22 februari 2007.
(get.) G. van der Wiel.
(get.) L.J.A. Damen.