ECLI:NL:CRVB:2007:BA0039
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- G. van der Wiel
- N.J. van Vulpen-Grootjans
- L.J.A. Damen
- Rechtspraak.nl
Bevestiging premievaststelling WAO op kasbasis door UWV niet in strijd met rechtszekerheidsbeginsel
Appellante betwistte de vaststelling van de gedifferentieerde premie WAO door het UWV voor het jaar 2004, waarbij het UWV het totaalbedrag van in 2002 betaalde WAO-uitkeringen als grondslag gebruikte. De rechtbank verklaarde het bezwaar tegen het besluit ongegrond, maar vernietigde het besluit wegens strijd met artikel 87a van de WAO en liet de rechtsgevolgen in stand.
In hoger beroep voerde appellante aan dat het gebruik van in 2002 betaalde uitkeringen onrechtvaardig was en in strijd met het rechtszekerheidsbeginsel, omdat het UWV het moment van betaling kan beïnvloeden. De Raad verwierp dit verweer en onderschreef het oordeel van de rechtbank dat het kasbasisstelsel en de gevolgen daarvan duidelijk in de WAO en het Besluit premiedifferentiatie WAO zijn vastgelegd.
Verder stelde appellante dat het kasbasissysteem voor haar onbillijk uitpakte, vooral omdat zij in 2004 voor het eerst als grote werkgever werd aangemerkt. De Raad oordeelde dat artikel 78 van Pro de WAO geen ruimte biedt voor belangenafweging bij de vaststelling van de premie en dat het Besluit ook in dit geval volledig van toepassing is.
De Centrale Raad van Beroep bevestigde daarom de aangevallen uitspraak en oordeelde dat het UWV in overeenstemming met de wet heeft gehandeld bij de premievaststelling. Er werd geen aanleiding gezien voor een veroordeling in de proceskosten.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de premievaststelling door het UWV en oordeelt dat deze niet in strijd is met het rechtszekerheidsbeginsel.