ECLI:NL:CRVB:2007:BA0042
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Weigering kinderbijslag wegens ontbreken ingezetenschap overleden partner
Appellant stelde hoger beroep in tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage die de weigering van kinderbijslag door de Sociale verzekeringsbank (Svb) bevestigde. De kern van het geschil betrof de vraag of de overleden partner van appellant vanaf het eerste kwartaal 2004 tot en met het tweede kwartaal 2005 als ingezetene van Nederland kon worden beschouwd in de zin van artikel 2 van Pro de Algemene Kinderbijslagwet (AKW).
De Raad beoordeelde aan de hand van vaste jurisprudentie of de partner op de peildata in Nederland woonde, waarbij gekeken wordt naar juridische, economische en sociale bindingen met Nederland. De partner had vanaf 15 januari 2005 een verblijfsvergunning met beperkingen en daarvoor geen vergunning. Ook rekening houdend met terugwerkende kracht van de vergunning bleef de juridische binding zwak. Daarnaast ontbraken sterke economische en sociale bindingen.
De Raad concludeerde dat de partner niet als ingezetene kon worden aangemerkt en dat de weigering van kinderbijslag terecht was. Het hoger beroep werd verworpen en de aangevallen uitspraak bevestigd. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt verworpen en de weigering van kinderbijslag wordt bevestigd wegens het ontbreken van ingezetenschap.