ECLI:NL:CRVB:2007:BA0158

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
15 februari 2007
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
05-5805 AW
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • G.P.A.M. Garvelink-Jonkers
  • J.Th. Wolleswinkel
  • K.J. Kraan
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 11.2 CAO Academische ZiekenhuizenArt. 8:75 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging ontslag wegens ernstig plichtsverzuim na niet-nakomen afspraken en weigering werk te hervatten

Appellant was werkzaam als assistent bij de afdeling Medische administratie van het Academisch Ziekenhuis Maastricht. Na herhaalde keren niet te hebben voldaan aan afspraken over ziekmelding en het niet op het werk verschijnen zonder melding, werd appellant door de Raad van Bestuur meerdere malen gewaarschuwd. Ondanks een hersteldverklaring door de bedrijfsarts en een positieve second opinion van het UWV, weigerde appellant zijn werkzaamheden te hervatten.

De Raad van Bestuur legde appellant op 30 juli 2004 onvoorwaardelijk ontslag op wegens ernstig plichtsverzuim. Appellant maakte bezwaar, maar dit werd bij het bestreden besluit van 14 januari 2005 gehandhaafd. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond, waarna appellant hoger beroep instelde bij de Centrale Raad van Beroep.

De Centrale Raad van Beroep onderschrijft de conclusie van de rechtbank en bevestigt het ontslagbesluit. De Raad acht het ernstig plichtsverzuim bewezen gezien de herhaalde niet-nakoming van ziekmeldingsafspraken, het niet verschijnen op het werk zonder melding, en de weigering om na herstel weer aan het werk te gaan. Het hoger beroep wordt verworpen en de aangevallen uitspraak bevestigd.

Uitkomst: Het ontslag van appellant wegens ernstig plichtsverzuim wordt bevestigd.

Uitspraak

05/5805 AW
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[appellant], (hierna: appellant),
tegen de uitspraak van de rechtbank Maastricht van 15 augustus 2005, 05/187 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellant
en
de Raad van Bestuur van het Academisch Ziekenhuis Maastricht (hierna: Raad van Bestuur)
Datum uitspraak: 15 februari 2007
I. PROCESVERLOOP
Appellant heeft hoger beroep ingesteld.
De Raad van Bestuur heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 11 januari 2007. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. J.P. Folkertsma, advocaat te Maastricht. De Raad van Bestuur heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M.H.J. Leroi en drs. W. van Dijk, beiden werkzaam bij het Academisch Ziekenhuis Maastricht.
II. OVERWEGINGEN
1. Voor een uitgebreidere weergave van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden wordt verwezen naar de aangevallen uitspraak. De Raad volstaat met het volgende.
1.1. Appellant was werkzaam als assistent bij de afdeling Medische administratie van het Academisch Ziekenhuis Maastricht.
1.2. Bij besluit van 30 juli 2004 heeft de Raad van Bestuur appellant met toepassing van artikel 11.2, eerste lid, aanhef en onder e, van de CAO Academische Ziekenhuizen (met onmiddellijke ingang) de disciplinaire straf van onvoorwaardelijk ontslag opgelegd.
Dit besluit is na door appellant gemaakt bezwaar bij het bestreden besluit van 14 januari 2005 gehandhaafd.
2. De rechtbank heeft het beroep van appellant tegen het bestreden besluit bij de aangevallen uitspraak ongegrond verklaard.
3.1. De Raad onderschrijft de conclusie van de rechtbank dat het bestreden besluit in rechte stand houdt en verwijst daartoe in grote lijnen naar de (zeer) uitvoerige overwegingen op grond waarvan de rechtbank tot deze conclusie is gekomen.
Mede naar aanleiding van hetgeen in hoger beroep is aangevoerd overweegt de Raad nog het volgende.
3.2. Naar uit de gedingstukken blijkt heeft appellant zich herhaalde malen - ongeveer
17 keer - niet gehouden aan de afspraken die met hem waren gemaakt over de wijze waarop hij zich ziek diende te melden. Voorts is hij op 11 november 2002 niet op het werk verschenen zonder dat hij zich had ziek gemeld. Pogingen om door middel van mediation het conflictgevoel bij appellant weg te nemen zijn door hem niet opgepakt. Nadat appellant na een periode van ziekte door de bedrijfsarts op 6 oktober 2003 weer in staat werd geacht om zijn werk te verrichten, heeft hij vervolgens niet hervat; in deze weigering heeft appellant geruime tijd volhard, daartoe stellende niet te kunnen werken. In een op verzoek van appellant uitgebrachte second opinion heeft het Uitvoerings-instituut werknemersverzekeringen (Uwv) evenwel laten weten dat appellant per
6 oktober 2003 geschikt was voor het verrichten van zijn eigen werk. Een hernieuwde poging tot mediation heeft appellant wederom afgewezen.
Voorts is appellant na een nieuwe ziekteperiode door de bedrijfsarts op 16 juni 2004 weer voor 50% in staat geacht tot het verrichten van loonvormende arbeid. De door het Uwv ter zake uitgebrachte second opinion is in lijn hiermee. Aangezien appellant ook deze maal zijn arbeid niet (deels) heeft hervat, heeft de Raad van Bestuur hem bij brief van
21 juni 2004 zijn voornemen kenbaar gemaakt hem een disciplinaire straf op te leggen.
3.3. Blijkens het vorenstaande heeft appellant bij herhaling nagelaten zijn werkzaam-heden te verrichten terwijl hij daartoe wel in staat moest worden geacht. Dit rechtvaardigt de kwalificatie ernstig plichtsverzuim. Voor zijn oordeel dat de daaraan door de Raad van Bestuur verbonden disciplinaire straf van onvoorwaardelijk ontslag niet onevenredig is, acht de Raad van betekenis dat appellant er vanwege de Raad van Bestuur bij brieven van 9 oktober 2003, 17 oktober 2003 en 17 juni 2004 op is gewezen dat zijn ongeoorloofde afwezigheid tot disciplinaire bestraffing zou kunnen leiden; bij de brief van 9 oktober 2003 is appellant tevens onder de aandacht gebracht dat de indiening van een verzoek om een second opinion zijn arbeidsverplichting niet opschort. Verder heeft appellant zijn stelling dat zijn nalatigheid hem niet of in slechts verminderde mate valt aan te rekenen in het geheel niet onderbouwd door bijvoorbeeld overlegging van een medische verklaring; dat appellant per 16 juni 2004 nog deels arbeidsongeschikt werd geacht biedt uiteraard geen enkele steun voor zijn stelling.
3.4. Gezien het vorenstaande slaagt het hoger beroep niet en komt de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking.
4. De Raad acht tot slot geen termen aanwezig toepassing te geven aan artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht inzake vergoeding van proceskosten.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door G.P.A.M. Garvelink-Jonkers als voorzitter en J.Th. Wolleswinkel en K.J. Kraan als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van R.A. Huizer als griffier, uitgesproken in het openbaar op 15 februari 2007.
(get.) G.P.A.M. Garvelink-Jonkers.
(get.) R.A. Huizer.