Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellante tegen het besluit van 12 april 2005 ongegrond verklaard. In haar uitspraak, waarin appellante is aangeduid als eiseres en de Svb als verweerder heeft zij het volgende overwogen:
“ Op grond van vaste jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) heeft verweerder met betrekking tot het ingezetenschap het volgende beleid ontwikkeld. Voor de beantwoording van de vraag of iemand binnen Nederland woont, is van belang of er tussen de betrokkene en Nederland een persoonlijke band van duurzame aard bestaat. Hierbij moet worden vastgesteld of de betrokkene het middelpunt van zijn maatschappelijk leven in Nederland heeft. Indien een ingezetene uit Nederland vertrekt, heeft dit niet altijd zonder meer tot gevolg dat de verzekering direct eindigt, omdat rekening moet worden gehouden met het uitgangspunt dat de band met Nederland, na vertrek naar het buitenland, slechts geleidelijk verdwijnt (zie onder meer CRvB 15 juni 1994, AB 1995, 76 en CRvB 22 juni 1994, AB 1995, 78). Of de band met Nederland verbroken is moet worden vastgesteld op basis van het totaal beeld van feitelijke omstandigheden, waaruit in het concrete geval blijkt dat niet langer sprake is van een juridische binding, een economische binding en een sociale binding met Nederland.
De rechtbank constateert dat [naam ex-echtgenoot] ten tijde van zijn overlijden niet ingeschreven stond bij de Gemeentelijke Basisadministratie. Hij had zich per 1 januari 2002 laten uitschrijven bij de gemeente Waalwijk onder aangifte van zijn emigratie naar Neerpelt in België. Of [naam ex-echtgenoot] ook daadwerkelijk daar naartoe is vetrokken, is de rechtbank niet gebleken. Derhalve is evenmin duidelijk of [naam ex-echtgenoot]s vertrek naar het buitenland een tijdelijk of een definitief karakter
heeft gehad. In dergelijke situaties, waarin het onderzoek naar de feitelijke omstandigheden niet leidt tot de conclusie dat sprake is van een definitief dan wel tijdelijk verblijf in het buitenland, wordt betrokkene het eerste jaar na het feitelijk vertrek uit Nederland (nog) als ingezetene beschouwd. Na dat jaar wordt het ingezetenschap als geëindigd beschouwd, tenzij aangetoond wordt dat de feitelijke omstandigheden het handhaven van het ingezetenschap rechtvaardigen. Na drie jaar wordt het ingezetenschap overigens zonder meer als geëindigd beschouwd. Nu [naam ex-echtgenoot] ten tijde van zijn overlijden officieel omstreeks twee jaar was geëmigreerd, wordt het ingezetenschap in beginsel als geëindigd beschouwd. Eiseres heeft echter betoogd dat [naam ex-echtgenoot] nimmer is vertrokken en dat de samenwoning ondanks de uitschrijving onverminderd is blijven voortbestaan.
De rechtbank wijst er in dit verband op dat zij van oordeel is dat de bewijslast omtrent de feitelijke woonsituatie bij eiseres ligt. Eiseres heeft immers bij haar aanvraag om een nabestaandenuitkering op het aanvraagformulier vermeld dat [naam ex-echtgenoot] niet bij haar woonachtig was. Deze verklaring heeft zij naderhand weer ingetrokken. In een dergelijke situatie is het, naar het oordeel van de rechtbank, aan eiseres om haar gewijzigde standpunt aannemelijk te maken en nader te onderbouwen.
Eiseres heeft dienaangaande betoogd dat zij haar verklaring, dat [naam ex-echtgenoot] niet bij haar woonachtig was, heeft gedaan op advies van een fiscaal jurist. Enkel vanwege fiscale problemen is destijds de echtscheiding uitgesproken en heeft [naam ex-echtgenoot] zich laten uitschrijven uit het bevolkingsregister, de duurzame samenleving met eiseres is echter onverminderd voortgezet.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft eiseres zulks echter in onvoldoende mate aannemelijk kunnen maken. Eiseres heeft aangevoerd dat het feitelijke verblijf van