ECLI:NL:CRVB:2007:BA0441

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
9 maart 2007
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
06-3865 WSF
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • J. Janssen
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3.17 Wet studiefinanciering 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging vordering wegens meerinkomen en reisvoorziening studiefinanciering

Appellante werd door de IB-Groep een vordering opgelegd wegens overschrijding van de inkomensgrens in 2002, inclusief een vordering ter zake van de genoten reisvoorziening. De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond. In hoger beroep betoogde appellante dat zij te goeder trouw was en dat de opgelegde boete niet in verhouding stond tot de vermeende overtreding.

De Raad overwoog dat de lijfrenteconstructie fiscaal aantrekkelijk kan zijn, maar nadelig uitpakt voor studiefinanciering indien het toetsingsinkomen wordt overschreden. Tevens maakte de Raad duidelijk dat het woord 'boete' onjuist is gebruikt in het primaire besluit; de Wet studiefinanciering 2000 kent geen boete, maar een compensatoire vordering ter grootte van de kosten van de OV-studentenkaart of vervangende reisvoorziening.

De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat het hoger beroep geen doel treft en bevestigde de aangevallen uitspraak. Er is geen aanleiding voor vergoeding van proceskosten.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de vordering wegens meerinkomen en de compensatoire vordering voor de reisvoorziening en verklaart het hoger beroep ongegrond.

Uitspraak

06/3865 WSF
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[appellante] (hierna: appellante),
tegen de uitspraak van de rechtbank Breda van 7 juni 2006, nr. 05/1768 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellante
en
de hoofddirectie van de Informatie Beheer Groep (hierna: IB-Groep).
Datum uitspraak: 9 maart 2007
I. PROCESVERLOOP
[naam vader], de vader van appellante, heeft in zijn hoedanigheid van gemachtigde hoger beroep ingesteld tegen de aangevallen uitspraak.
De IB-Groep heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 26 januari 2007. Appellante is in persoon verschenen, bijgestaan door [naam vader], voornoemd. De IB-Groep was vertegenwoordigd door mr. H.F. Hofstee.
II. OVERWEGINGEN
Bij besluit van 7 juli 2005 heeft de IB-Groep, wegens overschrijding van de inkomensgrens in het jaar 2002, aan appellante een vordering wegens meerinkomen alsmede een in dat besluit als boete aangeduide vordering ter zake van de door appellante gedurende de maanden januari tot en met december 2002 genoten reisvoorziening opgelegd.
Bij besluit van 12 oktober 2005 heeft de IB-Groep het bezwaarschrift van appellante tegen het besluit van 7 juli 2005 ongegrond verklaard.
De rechtbank heeft het beroep van appellante tegen het besluit van 12 oktober 2005 bij de aangevallen uitspraak ongegrond verklaard.
De gemachtigde van appellante heeft bij beroepschrift aangevoerd dat hij zich onder protest neerlegt bij de uitspraak dat de teveel gekregen studiefinanciering moet worden terugbetaald. Als eerzaam burger met een onbesproken sociaal, maatschappelijk en fiscaal gedrag kan hij zich niet neerleggen bij de boete die moet worden voldaan. Een straf moet in verhouding staan tot de vermeende overtreding. Wanneer appellante ten onrechte maar volkomen te goeder trouw € 894,12 teveel aan studiefinanciering heeft ontvangen, dan is een straf met een boete van € 726,96 iets wat in geen enkele verhouding staat tot de vermeende overtreding. Er was geen sprake van bewuste overtreding, maar van een misverstand. Appellante was zich er niet van bewust dat haar lijfrente (waarover inkomstenbelasting is betaald) tot het toetsingsinkomen zou worden gerekend.
Voor zover de gemachtigde van appellante ter zitting heeft beoogd te betwisten dat sprake is van meerinkomen, merkt de Raad op dat de gekozen lijfrenteconstructie enerzijds uit fiscaal oogpunt aantrekkelijk is, maar anderzijds uit studiefinancieringoogpunt nadelig kan uitpakken indien de lijfrente die meetelt bij het vaststellen van het toetsingsinkomen leidt tot overschrijding van de bijverdiengrens.
Wat betreft de gestelde onevenredigheid tussen de boete en de vermeende overtreding moet worden opgemerkt dat in het primaire besluit ten onrechte het woord 'boete' wordt gebezigd. De Wet studiefinanciering 2000 spreekt anders dan zijn voorganger, de Wet op de studiefinanciering niet van boete. Er wordt ingevolge artikel 3.17, zevende lid, aanhef en onder b, van de Wet studiefinanciering 2000 slechts een compensatoire vordering opgelegd ter grootte van het bedrag dat de overheid voor de OV-studentenkaart c.q. voor de vervangende reisvoorziening in geld heeft uitgegeven.
Het hoger beroep treft derhalve geen doel. De aangevallen uitspraak komt voor bevestiging in aanmerking.
Er zijn geen termen aanwezig voor vergoeding van proceskosten.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door J. Janssen. De beslissing is, in tegenwoordigheid van M.H.A. Uri als griffier, uitgesproken in het openbaar op 9 maart 2007.
(get.) J. Janssen.
(get.) M.H.A. Uri.