ECLI:NL:CRVB:2007:BA0445

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
9 maart 2007
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
04-6405 WAO
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • J. Janssen
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:75 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging besluit UWV weigering WAO-uitkering en toewijzing nieuw besluit

Appellant had een WAO-uitkering aangevraagd die door het UWV per 21 maart 2002 werd geweigerd op grond dat appellant geschikt werd geacht zijn eigen werk als schoonmaker te verrichten. Het bezwaar van appellant tegen deze weigering werd door het UWV ongegrond verklaard en de rechtbank Utrecht verklaarde het beroep ongegrond. Appellant stelde vervolgens hoger beroep in bij de Centrale Raad van Beroep.

Tijdens het hoger beroep kwam het UWV terug op haar standpunt, mede op basis van een rapport van de bezwaarverzekeringsarts, en erkende dat appellant niet in staat was zijn maatgevende arbeid te verrichten. De Raad oordeelde dat het UWV het eerdere besluit en de uitspraak van de rechtbank moest vernietigen en het UWV moest opdragen een nieuwe beslissing op bezwaar te nemen.

Daarnaast veroordeelde de Raad het UWV tot vergoeding van de proceskosten van appellant, zowel in eerste aanleg als in hoger beroep, en tot vergoeding van het betaalde griffierecht. Hiermee werd appellant in het gelijk gesteld en werd het UWV verplicht tot herbeoordeling van de uitkeringsaanvraag.

Uitkomst: Het besluit van het UWV tot weigering van de WAO-uitkering wordt vernietigd en het UWV wordt opgedragen een nieuwe beslissing op bezwaar te nemen.

Uitspraak

04/6405 WAO
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[appellant] (hierna: appellant),
tegen de uitspraak van de rechtbank Utrecht van 13 oktober 2004, 03/2525 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellant
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).
Datum uitspraak: 9 maart 2007
I. PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft mr. A.A. Bart, advocaat te Veenendaal, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 26 januari 2007. Appellant is in persoon verschenen, bijgestaan door mr. Bart en het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. F.A. Put.
II. OVERWEGINGEN
Het Uwv heeft bij primair besluit van 21 januari 2003 geweigerd om aan appellant per
21 maart 2002 een WAO-uitkering toe te kennen omdat hij geschikt wordt geacht om zijn eigen werk van schoonmaker te verrichten.
Bij besluit van 8 september 2003 heeft het Uwv het bezwaar tegen het besluit van
21 januari 2003 ongegrond verklaard.
Het hiertegen ingestelde beroep is door de rechtbank Utrecht bij de aangevallen uitspraak ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft appellant hoger beroep ingesteld.
Bij brief van 25 januari 2007, onder verwijzing naar het rapport van de bezwaarverzekeringsarts T.E. Greven van 23 januari 2007, heeft het Uwv aan de Raad bericht dat het standpunt dat appellant op de in geding zijnde datum (21 maart 2002) in staat was om zijn maatgevende arbeid te verrichten niet langer wordt gehandhaafd.
Gelet hierop ziet de Raad aanleiding om de aangevallen uitspraak en het besluit van
8 september 2003 te vernietigen en het Uwv op te dragen een nieuwe beslissing op bezwaar te nemen.
De Raad acht termen aanwezig om het Uwv met toepassing van artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht te veroordelen in de proceskosten van appellant. Deze kosten worden begroot op € 644,- voor verleende rechtsbijstand in beroep en op € 644,- voor verleende rechtsbijstand in hoger beroep, in totaal derhalve € 1288,- .
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Vernietigt de aangevallen uitspraak;
Verklaart het beroep tegen het besluit van 8 september 2003 gegrond en vernietigt dat besluit;
Bepaalt dat de Raad van bestuur het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen een nieuwe beslissing op bezwaar neemt.
Veroordeelt de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen in de proceskosten van appellant in eerste aanleg en in hoger beroep tot een bedrag groot € 1288,-, te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen;
Bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan appellant het betaalde griffierecht van € 133,- vergoedt.
Deze uitspraak is gedaan door J. Janssen. De beslissing is, in tegenwoordigheid van M.H.A. Uri als griffier, uitgesproken in het openbaar op 9 maart 2007.
(get.) J. Janssen.
(get.) M.H.A. Uri.
JL