ECLI:NL:CRVB:2007:BA0458

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
22 februari 2007
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
05-6172 AW
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • G.P.A.M. Garvelink-Jonkers
  • K. Zeilemaker
  • A.A.M. Mollee
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 5 Sociaal StatuutArt. 8:75 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging besluit over gedeeltelijke handhaving arbeidsmarkttoelage na functiewaardering

Appellant werd bij aanstelling in 2000 geplaatst op het maximumsalaris van schaal 10 met een arbeidsmarkttoelage van f 600,- per maand. Na een functiewaardering in 2003 werd hij ingeschaald in schaal 10A, waarbij de toelage slechts gedeeltelijk werd gehandhaafd voor het bedrag dat het verschil tussen schaal 10 en 10A overschrijdt.

Appellant maakte bezwaar tegen deze gedeeltelijke handhaving, stellende dat de toelage een structureel karakter had. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond. In hoger beroep bevestigde de Centrale Raad van Beroep dat de toelage een persoonlijke toelage is zoals bedoeld in het Sociaal Statuut en dat het college de toelage terecht gedeeltelijk handhaafde om te voorkomen dat het nieuwe salaris lager zou zijn dan het oude salaris inclusief toelage.

De Raad oordeelde dat appellant niet aannemelijk had gemaakt dat bij zijn aanstelling de verwachting was gewekt dat de toelage altijd behouden zou blijven, ongeacht functiewijzigingen. De afspraken betroffen slechts de totale salarishoogte bij indiensttreding. Het hoger beroep werd afgewezen en de aangevallen uitspraak bevestigd.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en de gedeeltelijke handhaving van de arbeidsmarkttoelage bevestigd.

Uitspraak

05/6172 AW
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[appellante], wonende te [woonplaats], (hierna: appellant),
tegen de uitspraak van de rechtbank Roermond van 25 augustus 2005, 04/513 (hierna: aangevallen uitspraak)
in het geding tussen:
appellant
en
het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Leudal, als rechtsopvolger van het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Hunsel, (hierna: college)
Datum uitspraak: 22 februari 2007
I. PROCESVERLOOP
Appellant heeft hoger beroep ingesteld.
Het college heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 18 januari 2007. Appellant is verschenen, bijgestaan door zijn raadsman mr.T. Hoekstra, werkzaam bij Achmea Rechtsbijstand. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door P.J.M. Swinkels, juridisch adviseur te Venray.
II. OVERWEGINGEN
1. Voor een uitgebreidere weergave van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden wordt verwezen naar de aangevallen uitspraak. De Raad volstaat met het volgende.
1.1. Bij zijn aanstelling met ingang van 15 juni 2000 bij de gemeente Hunsel in de functie van senior beleidsmedewerker civiel- en cultuurtechniek is appellant geplaatst op het maximumsalaris van schaal 10. Daarnaast is aan appellant een arbeidsmarkttoelage toegekend van f 600,- (€ 272,27) per maand.
1.2. Bij besluit van 17 december 2003 is appellant na herwaardering van de functie per 1 januari 2002 ingeschaald in schaal 10A. Hierbij is bepaald dat de arbeidsmarkttoelage slechts wordt gehandhaafd voor zover deze het verschil tussen het salaris van schaal 10 (maximaal) en schaal 10A (maximaal) overschrijdt. Dit betreft een bedrag van € 6,77 per maand. Tegen dit laatste heeft appellant bezwaar gemaakt.
1.3. Het college heeft het bezwaar van appellant bij het bestreden besluit van 23 maart 2004 ongegrond verklaard.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.
3. Naar aanleiding van hetgeen partijen in hoger beroep hebben aangevoerd overweegt de Raad het volgende.
3.1. Niet in geschil is dat de salarisinpassing na de functiewaardering dient te geschieden overeenkomstig het door de raad van de gemeente Hunsel vastgestelde Sociaal Statuut 1998 dat regels geeft voor functietoewijzing, functietypering en functiewaardering.
Op grond van artikel 5, vierde lid, van dit Sociaal Statuut komen bij de salarisinpassing persoonlijke toelagen te vervallen met inachtneming van het bepaalde in het eerste lid. Ingevolge dit eerste lid behoudt de ambtenaar het salaris en de schriftelijk vastgelegde salarisaanspraken verbonden aan zijn functie, met inbegrip van eventuele garantieschalen en persoonlijke toelagen. Dit artikellid bevat derhalve de garantie dat de ambtenaar na de inpassing geen lager salaris zal genieten dan daarvoor het geval was.
3.2. De Raad stelt vast dat de arbeidsmarkttoelage die aan appellant bij zijn aanstelling is toegekend, een persoonlijke toelage is als bedoeld in artikel 5, vierde lid, van het Sociaal Statuut. Ingevolge dit artikellid komt deze toelage derhalve te vervallen. Aangezien het geheel vervallen van de toelage ertoe zou leiden dat het nieuwe salaris van appellant in schaal 10A lager zou zijn dan zijn oude salaris in schaal 10 plus de toelage, heeft het college terecht en in overeenstemming met artikel 5, eerste en vierde lid, van het Sociaal Statuut de toelage gedeeltelijk gehandhaafd.
3.3. Anders dan door appellant is betoogd acht de Raad niet aannemelijk geworden dat bij de aanstelling van appellant door het college de verwachting is gewekt dat de toelage een structureel karakter zou dragen in die zin dat deze altijd behouden zou blijven, ongeacht eventuele zich in de toekomst nog voordoende functiewijzigingen en/of salarisver-hogingen. Daarbij heeft de Raad van belang geacht dat, naar appellant ter zitting heeft verklaard, bij zijn indiensttreding (slechts) afspraken zijn gemaakt over de totale hoogte van het salaris dat hij zou gaan verdienen.
3.4. Hetgeen overigens door appellant in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak is aangevoerd kan niet leiden tot een ander oordeel dan dat het college het salaris van appellant correct heeft vastgesteld en dat de rechtbank bij de aangevallen uitspraak het bestreden besluit op juiste gronden in stand heeft gelaten.
3.5. Uit het vorenstaande volgt dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.
4. De Raad acht tot slot geen termen aanwezig toepassing te geven aan artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht inzake vergoeding van proceskosten.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door G.P.A.M. Garvelink-Jonkers als voorzitter en K. Zeilemaker en A.A.M. Mollee als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van R.A. Huizer als griffier, uitgesproken in het openbaar op 22 februari 2007.
(get.) G.P.A.M. Garvelink-Jonkers.
(get.) R.A. Huizer.
HD
9.02