ECLI:NL:CRVB:2007:BA0725
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Ch. van Voorst
- M.S.E. Wulffraat-van Dijk
- F.A.M. Stroink
- Rechtspraak.nl
Beoordeling recht op ziekengeld na intrekking arbeidsongeschiktheidsuitkering
Appellant, voormalig tuinbouwmedewerker, meldde zich op 16 juli 2002 ziek vanuit een uitkeringssituatie. Het UWV besloot op 10 januari 2003 dat appellant vanaf 15 januari 2003 geen recht meer had op ziekengeld, omdat hij niet langer ongeschikt werd geacht voor zijn arbeid. Dit besluit werd op bezwaar ongegrond verklaard. De rechtbank verklaarde het beroep tegen het besluit van 18 mei 2004 ongegrond, waarbij werd bevestigd dat appellant vanaf 26 maart 2003 niet langer arbeidsongeschikt was.
De Raad toetste of het UWV terecht had besloten het recht op ziekengeld te beëindigen. Volgens artikel 19 Ziektewet Pro heeft een verzekerde recht op ziekengeld bij ongeschiktheid tot het verrichten van zijn laatstelijk feitelijk verrichte arbeid. Indien langdurige arbeidsongeschiktheid bestaat, geldt als maatstaf gangbare arbeid passend bij het opleidingsniveau en ervaring, zoals bij WAO-beoordeling.
De Raad onderschreef het oordeel van de rechtbank dat appellant geschikt was voor de functies die in 1999 als passend waren aangemerkt. Dit oordeel was gebaseerd op medische rapporten, waaronder die van de behandelend reumatologe en de bezwaarverzekeringsarts, die concludeerden dat de reumatoïde artritis tot rust was gekomen. Het verzoek tot nader medisch onderzoek werd afgewezen. Het beroep tegen het besluit van 20 juni 2003 werd niet-ontvankelijk verklaard, en het beroep tegen het besluit van 18 mei 2004 werd ongegrond verklaard.
De Raad veroordeelde het UWV tot vergoeding van proceskosten en griffierecht aan appellant.
Uitkomst: Appellant heeft geen recht meer op ziekengeld vanaf 26 maart 2003 omdat hij niet langer arbeidsongeschikt is.