ECLI:NL:CRVB:2007:BA0967

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
1 maart 2007
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
06-4312 WUBO
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • H.R. Geerling-Brouwer
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2 Wet uitkeringen burger-oorlogsslachtoffers 1940-1945Art. 8:75 Algemene wet bestuursrecht
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing erkenning als burgeroorlogsslachtoffer wegens onvoldoende bewijs oorlogsgeweld

Appellante, geboren in 1935 in het voormalige Nederlands-Indië, verzocht om erkenning als burgeroorlogsslachtoffer op grond van gezondheidsklachten die zij toeschrijft aan haar ervaringen tijdens de Japanse bezetting. Zij verwees naar bombardementen en het getuige zijn van geweld tegen haar vader.

De Pensioen- en Uitkeringsraad wees het verzoek af omdat niet aannemelijk was gemaakt dat appellante direct betrokken was bij oorlogsgeweld zoals bedoeld in de Wet uitkeringen burger-oorlogsslachtoffers 1940-1945. De Raad bevestigde dit oordeel en benadrukte dat algemene oorlogsomstandigheden, zoals slechte leefomstandigheden en dreiging, niet onder de Wet vallen.

De Raad overwoog dat voor erkenning vereist is dat de aanvrager direct is getroffen door oorlogsgeweld of geconfronteerd met extreem geweld tegen derden. Appellante kon niet aantonen dat zij direct betrokken was bij de bombardementen of dat zij zelf of haar naasten gewond raakten.

De Raad concludeerde dat het bestreden besluit in stand kan blijven en wees het beroep af. Tevens werd geen vergoeding van proceskosten toegekend.

Uitkomst: Het beroep wordt ongegrond verklaard omdat appellante onvoldoende heeft aangetoond dat zij direct is getroffen door oorlogsgeweld.

Uitspraak

06/4312 WUBO
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellante] (hierna: appellante),
en
de Raadskamer WUBO van de Pensioen- en Uitkeringsraad (hierna: verweerster)
Datum uitspraak: 1 maart 2007
I. PROCESVERLOOP
Appellante heeft beroep ingesteld tegen een door verweerster onder dagtekening 14 juli 2006, kenmerk JZ/060/2006, ten aanzien van haar genomen besluit ter uitvoering van de Wet uitkeringen burger-oorlogsslachtoffers 1940-1945 (hierna: de Wet).
Verweerster heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 18 januari 2007. Daar is appellante in persoon verschenen, bijgestaan door haar zoon J.H.L. Lie. Verweerster heeft zich laten vertegenwoordigen door J.J.G.A. Theelen, werkzaam bij de Pensioen- en Uitkeringsraad.
II. OVERWEGINGEN
Appellante, geboren in 1935 in het voormalige Nederlands-Indië, heeft in oktober 2005 bij verweerster een aanvraag ingediend om te worden erkend als burger-oorlogsslacht-offer in de zin van de Wet en als zodanig in aanmerking te worden gebracht voor, onder meer, een periodieke uitkering. Appellante heeft haar aanvraag gebaseerd op gezond-heidsklachten die naar haar mening het gevolg zijn van haar oorlogservaringen in het voormalige Nederlands-Indië.
Bij besluit van 23 mei 2006, zoals na gemaakt bezwaar gehandhaafd bij het thans bestreden besluit, heeft verweerster op deze aanvraag afwijzend beslist. Daartoe is overwogen - kort gezegd - dat in onvoldoende mate is aangetoond of aannemelijk gemaakt dat appellente is getroffen door oorlogsgeweld als bedoeld in artikel 2, eerste lid, van de Wet.
De Raad dient antwoord te geven op de vraag of het bestreden besluit, gelet op hetgeen door appellante in beroep is aangevoerd, in rechte kan standhouden.
Dienaangaande overweegt de Raad als volgt.
Ingevolge artikel 2, eerste lid, van de Wet wordt - voor zover hier van belang - onder burger-oorlogsslachtoffer verstaan degene die tijdens de oorlogsjaren 1940-1945 in het voormalige Nederlands-Indië lichamelijk of psychisch letsel heeft opgelopen tengevolge van met krijgsverrichtingen direct verbonden handelingen of maatregelen, dan wel ten gevolge van confrontatie op jeugdige leeftijd met extreem geweld tegen derden door de Japanse bezetter.
Hieruit volgt dat voor erkenning als burger-oorlogsslachtoffer primair de voorwaarde geldt dat de aanvrager direct betrokken is geweest bij oorlogsgeweld als omschreven in dat artikel. Eerst indien zodanige betrokkenheid is vastgesteld kunnen de medische gevolgen daarvan rechtens een rol gaan spelen.
Als relevante oorlogservaringen heeft appellante naar voren gebracht dat zij bombardementen op Babo en Gorong heeft meegemaakt en voorts dat zij getuige is geweest dat haar vader door een Japanse soldaat werd geslagen.
Ten aanzien van de gestelde bombardementen heeft verweerster zich op het standpunt gesteld, zoals toegelicht ter zitting, dat weliswaar wordt aanvaard dat appellante de bombardementen heeft meegemaakt, maar dat niet is gebleken dat zij daarbij direct betrokken is geweest zoals vereist in de Wet.
De Raad kan dit standpunt van verweerster onderschrijven. Voor het aannemen van een directe betrokkenheid is onder meer van belang de afstand tussen de betrokkene en de inslagen en explosies, de plaats waar betrokkene zich bevond ten tijde van die inslagen, de materiële schade in de directe omgeving en de vraag of betrokkene zelf gewond is geraakt of rechtstreeks geconfronteerd is geweest met verwondingen of omkomen van naasten. In het geval van appellante ontbreekt enig specifieke aanduiding op welke wijze zij betrokken is geweest. Voorts komt uit de stukken naar voren dat het gezin waartoe appellante behoorde de bossen in is gevlucht en dat de gezinsleden ongedeerd bleven.
Met betrekking tot het zijn geslagen van appellantes vader door een Japanse soldaat aanvaardt verweerster, blijkens het verhandelde ter zitting, dat appellante daarvan getuige is geweest, maar heeft evenwel geoordeeld dat die gebeurtenis niet onder de werking van de Wet kan worden gebracht. De Raad, die niet wil ontkennen dat genoemde gebeurtenis een traumatische ervaring voor appellante zal zijn geweest, volgt verweerster in haar oordeel. Hierbij neemt de Raad in aanmerking dat uit de gedingstukken en hetgeen daaromtrent door appellante ter zitting is verklaard, niet is gebleken dat er sprake is geweest van een confrontatie met extreem geweld jegens haar vader als bedoeld in artikel 2, eerste lid, onder d, van de Wet.
Voorzover appellante heeft gewezen op de slechte leefomstandigheden, het ontbreken van medicatie en de dreiging die zij heeft ervaren tengevolge van de Japanse bezetting, merkt de Raad nog op dat - overeenkomstig zijn vaste jurisprudentie in dezen - dit algemene oorlogsomstandigheden zijn, waaraan in mindere of meerdere mate een ieder heeft blootgestaan en dat algemene oorlogsomstandigheden niet zijn aan te merken als handelingen of maatregelen in de zin van artikel 2, eerste lid, van de Wet.
Uit het bovenstaande volgt dat de door appellante genoemde omstandigheden niet tot erkenning als burger-oorlogsslachtoffer kunnen leiden. Daarmee is zeker niet miskend dat appellante tijdens de oorlogsjaren angstige omstandigheden heeft ervaren, maar de erkenning als burger-oorlogsslachtoffer in de zin van de Wet is echter gebonden aan de in de Wet omschreven gebeurtenissen.
Voor vernietiging van het bestreden besluit bestaat dan ook geen grond, zodat dit besluit in rechte kan standhouden.
De Raad acht, ten slotte, geen termen aanwezig om toepassing te geven aan het bepaalde in artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht inzake een vergoeding van proceskosten.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Verklaart het beroep ongegrond
Deze uitspraak is gedaan door H.R. Geerling-Brouwer in tegenwoordigheid van
J.P. Schieveen als griffier, uitgesproken in het openbaar op 1 maart 2007.
(get.) H.R. Geerling-Brouwer.
(get.) J.P. Schieveen.
HD
31.01