ECLI:NL:CRVB:2007:BA0967
Centrale Raad van Beroep
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- H.R. Geerling-Brouwer
- Rechtspraak.nl
Afwijzing erkenning als burgeroorlogsslachtoffer wegens onvoldoende bewijs oorlogsgeweld
Appellante, geboren in 1935 in het voormalige Nederlands-Indië, verzocht om erkenning als burgeroorlogsslachtoffer op grond van gezondheidsklachten die zij toeschrijft aan haar ervaringen tijdens de Japanse bezetting. Zij verwees naar bombardementen en het getuige zijn van geweld tegen haar vader.
De Pensioen- en Uitkeringsraad wees het verzoek af omdat niet aannemelijk was gemaakt dat appellante direct betrokken was bij oorlogsgeweld zoals bedoeld in de Wet uitkeringen burger-oorlogsslachtoffers 1940-1945. De Raad bevestigde dit oordeel en benadrukte dat algemene oorlogsomstandigheden, zoals slechte leefomstandigheden en dreiging, niet onder de Wet vallen.
De Raad overwoog dat voor erkenning vereist is dat de aanvrager direct is getroffen door oorlogsgeweld of geconfronteerd met extreem geweld tegen derden. Appellante kon niet aantonen dat zij direct betrokken was bij de bombardementen of dat zij zelf of haar naasten gewond raakten.
De Raad concludeerde dat het bestreden besluit in stand kan blijven en wees het beroep af. Tevens werd geen vergoeding van proceskosten toegekend.
Uitkomst: Het beroep wordt ongegrond verklaard omdat appellante onvoldoende heeft aangetoond dat zij direct is getroffen door oorlogsgeweld.