ECLI:NL:CRVB:2007:BA0983
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- R.C. Schoemaker
- B.J. van der Net
- N.J. van Vulpen-Grootjans
- Rechtspraak.nl
Beoordeling vaststelling WAO-dagloon en WW-dagloon bij samenloop uitkeringen
Appellante was werkzaam als vakkenvuller voor 32 uur per week en viel in 1996 wegens ziekte uit. Het UWV kende haar een WAO-uitkering toe op basis van een dagloon van €51,30, afgeleid van die functie. Later werkte zij als beveiligingsbeambte en chauffeur/koerier met hogere verdiensten, maar deze inkomsten werden gekort op haar WAO-uitkering.
Na definitieve uitval in 2002 werd haar arbeidsongeschiktheid vastgesteld op 35-45%. Het UWV trok haar WAO-uitkering in 2003 in, waarna zij een WW-uitkering aanvroeg. Het WW-dagloon werd vastgesteld op basis van het WAO-dagloon van €51,30, wat leidde tot een WW-dagloon van €30,79. Appellante betwistte dat het UWV terecht was uitgegaan van de oude functie en het lagere dagloon.
De Raad oordeelde dat het UWV correct heeft gehandeld, omdat de besluiten over het WAO-dagloon onherroepelijk waren en appellante geen bezwaar had gemaakt tegen de vaststelling van het lagere dagloon. Haar verzoek om herziening van het besluit diende in een aparte procedure behandeld te worden. Tevens is vastgesteld dat te veel betaalde WW-voorschotten onverschuldigd zijn en teruggevorderd mogen worden. De Raad wees het hoger beroep af en bevestigde de eerdere uitspraak.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en het UWV heeft terecht het WW-dagloon vastgesteld op basis van het bestaande WAO-dagloon.