ECLI:NL:CRVB:2007:BA1027

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
1 maart 2007
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
06-2643 WUBO
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • H.R. Geerling-Brouwer
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 40 Wet uitkeringen burger-oorlogsslachtoffer 1940-1945Art. 8:75 Algemene wet bestuursrecht
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling ingangsdatum periodieke uitkering burger-oorlogsslachtoffer

Appellant, erkend als burger-oorlogsslachtoffer op grond van psychische invaliditeit, betwistte de ingangsdatum van zijn periodieke uitkering die was vastgesteld op 1 januari 2005, de datum van zijn aanvraag. Hij stelde dat de ingangsdatum had moeten zijn de eerste dag van de maand waarin hij 65 jaar werd.

De Raad oordeelde dat onbekendheid met de wetgeving geen reden is om af te wijken van de discretionaire bevoegdheid van verweerster om de ingangsdatum vast te stellen. Bovendien ontving appellant regelmatig het blad “Aanspraak”, waardoor hij voldoende geïnformeerd had kunnen zijn over zijn rechten. Het feit dat hij het blad niet las, deed hieraan niets af.

De Raad concludeerde dat het bestreden besluit rechtmatig is en verklaarde het beroep ongegrond. Tevens werd geen vergoeding van proceskosten toegekend, omdat geen bijzondere omstandigheden aanwezig waren die daartoe aanleiding gaven.

Uitkomst: Het beroep tegen het besluit over de ingangsdatum van de periodieke uitkering wordt ongegrond verklaard.

Uitspraak

06/2643 WUBO
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellant] (hierna: appellant),
en
de Raadskamer WUBO van de Pensioen- en Uitkeringsraad (hierna: verweerster)
Datum uitspraak: 1 maart 2007
I. PROCESVERLOOP
Appellant heeft beroep ingesteld tegen een door verweerster onder dagtekening 22 maart 2006, kenmerk JZ/I/60/2006, ten aanzien van hem genomen besluit ter uitvoering van de Wet uitkeringen burger-oorlogsslachtoffer 1940-1945 (hierna: de Wet).
Verweerster heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 18 januari 2007. Daar is appellant in persoon verschenen, bijgestaan door zijn echtgenote [naam echtgenote] Verweerster heeft zich laten vertegenwoordigen door J.J.G.A. Theelen, werkzaam bij de Pensioen- en Uitkeringsraad.
II. OVERWEGINGEN
Blijkens de gedingstukken is appellant, geboren in 1938 in het voormalige Nederlands-Indië, naar aanleiding van een daartoe in januari 1991 gedane aanvraag door verweerster bij besluit van 27 mei 1992 op grond van psychische invaliditeit erkend als burger-oorlogsslachtoffer in de zin van de Wet en als zodanig in aanmerking gebracht voor een toeslag als bedoeld in artikel 19 van Pro de Wet. Nadien is appellant op zijn verzoek in aanmerking gebracht voor een aantal bijzondere voorzieningen in het kader van de Wet; laatstelijk is aan hem bij besluit van 12 december 2002 met ingang van 1 november 2002 een tegemoetkoming verleend in de kosten verbonden aan deelname aan het maatschappelijk verkeer.
Bij het thans bestreden besluit heeft verweerster, na gemaakt bezwaar, gehandhaafd haar besluit van 31 oktober 2005 waarbij appellant in aanmerking is gebracht voor een periodieke uitkering waarbij de ingangsdatum is bepaald op 1 januari 2005, zijnde de eerste dag van de maand waarin door appellant de aanvraag is ingediend.
Appellant kan zich met de ingangsdatum van de hem toegekende periodieke uitkering niet verenigen. Naar zijn oordeel dient de ingangsdatum te worden bepaald op de eerste dag van de maand waarin hij 65 werd.
Dienaangaande overweegt de Raad als volgt.
Verweerster heeft overeenkomstig het bepaalde in artikel 40, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wet de ingangsdatum van de aan appellant toegekende uitkering bepaald op
1 januari 2005. Verweerster heeft evenwel geen aanleiding gezien om gebruik te maken van de haar in artikel 40, tweede lid, van de Wet gegeven bevoegdheid om in het voordeel van appellant af te wijken van het hetgeen in het eerste lid is bepaald.
Genoemde bevoegdheid is van discretionaire aard. Dat brengt mee dat de Raad heeft na te gaan of van verweerster moet worden gezegd dat zij niet in redelijkheid heeft kunnen besluiten van haar bevoegdheid geen gebruik te maken, dan wel bij haar besluit heeft gehandeld in strijd met enig geschreven of ongeschreven rechtsregel dan wel enig algemeen rechtsbeginsel.
De Raad is tot zodanige conclusie niet kunnen komen.
Uit de stukken en het verhandelde ter zitting komt naar voren dat appellant verzoekt om een toekenning met terugwerkende kracht vanwege zijn aanvankelijke onbekendheid met de mogelijkheden die de Wet biedt.
Naar de Raad reeds meermalen heeft geoordeeld is onbekendheid met de wetgeving geen omstandigheid op grond waarvan verweerster niet in redelijkheid kan weigeren van de haar in artikel 40, tweede lid, van de Wet toekomende bevoegdheid gebruik te maken. Voorts merkt de Raad nog op dat, mede gelet op de omstandigheid dat appellant periodiek het blad “Aanspraak” ontvangt, appellant voldoende geïnformeerd had kunnen zijn over de mogelijkheden binnen de Wet. De omstandigheid dat het blad “Aanspraak” niet wordt gelezen doet aan het voorgaande niets af.
Uit het voorgaande vloeit voort dat het bestreden besluit in rechte kan standhouden en het beroep van appellant ongegrond dient te worden verklaard.
De Raad acht, ten slotte, geen termen aanwezig om toepassing te geven aan het bepaalde in artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht inzake een vergoeding van proceskosten.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door H.R. Geerling-Brouwer. De beslissing is, in tegenwoordigheid van J.P. Schieveen als griffier, uitgesproken in het openbaar op 1 maart 2007.
(get.) H.R. Geerling-Brouwer.
(get.) J.P. Schieveen.